Organisatie - 23 juni 2010

Oostvaardersplassen

Op honderd meter afstand staan de dieren vredig te grazen. Even hoef ik niet te denken aan de discussie die de komende winter weer zal oplaaien: wel of niet bijvoeren.

De aanhangers van wildernis en oernatuur beweren dat de natuur zijn gang moet gaan en dat het sterven van dieren daar nu eenmaal deel van uitmaakt, ook in tijden van nood. Daar tegenover de mensen die opkomen voor het individuele dier en het onverteerbaar vinden toe te kijken hoe honderden dieren creperen.
Ik vraag me af over welke natuur we het hier eigenlijk hebben. De oernatuur van de Oostvaardersplassen bestaat uit zeegras, zeewier en mosselen. En dan hoeven we niet eens zo ver terug te gaan, niet verder dan 1932, toen afsluiting van de Zuiderzee een feit werd.
Nou goed, laten we verder teruggaan tot het landschap van na de ijstijden, toen open of gesloten bossen (ook daarover verschillen de meningen) ons land bedekten. In het onlangs verschenen boekje Natuur als nooit tevoren wordt uiteengezet hoe dit landschap bevolkt werd door talloze megaherbivoren en even indrukwekkende carnivoren, die de aantallen grazers reguleerden. Het huidige arsenaal aan 'grote grazers' steekt hier wel heel schamel tegen af. 
En dan de mens: vanaf de laatste ijstijd is die in Europa aanwezig, meer dan 35 duizend jaar geleden en mogelijk al veel langer. Met bijlen, speren en vallen joeg hij op de dieren. Waarom die mens dan zo verkrampt uit onze 'nagenoeg natuurlijke landschappen' verbannen? Willen we recht doen aan het wildernisdenken, dan is de keuze eigenlijk niet zo moeilijk: niet bijvoeren, geen kommervol creperen, maar bejagen en daarna het vlees oppeuzelen.

Re:ageer