Wetenschap - 26 maart 2015

Oorlogskinderen delen minder

tekst:
Joris Tielens

Oorlog verkleint de bereidheid om samen te werken bij kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap getraumatiseerd raakten door oorlog. Dat blijkt uit economische experimenten die gedragseconoom Francesco Cecchi deed in Oeganda.

Cecchi onderzocht agressie en competitie onder jongeren in Sierra Leone. Een deel van die jongeren had geweld meegemaakt tijdens de oorlog. ‘Toen ik in Kenema in Oost-Sierra Leone was, werd daar net een voetbalcompetitie gehouden tussen teams uit verschillende wijken. Met mijn collega Maarten Voors bedacht ik dat we daar gebruik van konden maken, en loofde een geldprijs uit voor de winnaar om zo het competitie-element te verhogen. Vervolgens telden we het aantal rode en gele kaarten.’

Cecchi deed ook een economisch gedragsspelletje met de voetballers. Ze kregen een som geld en mochten dat houden, of het geheel of gedeeltelijk aan een ander geven. Zo mat hij de mate van altruïsme. ‘Jongeren die een intens conflict hadden meegemaakt, bleken onbaatzuchtiger richting teamgenoten. Van de andere kant bleken zij ook veel meer rode kaarten te krijgen tijdens het voetballen.’ Kortom: oorlog vergroot de band met teamgenoten, maar vergroot ook de agressie en competitie richting buitenstaanders.

10_UG29.jpg

Opmerkelijk is dat Cecchi ook een effect vond bij kinderen die nog in de buik van hun moeder zaten ten tijde van oorlog en geweld. Hij onderzocht de gevolgen van trauma’s van moeders die verkracht werden of geweld meemaakten door het verzetsleger van de Heer van Joseph Koni in Noord- Oeganda. Interviews zijn wel een lastige methode om te onderzoeken hoeveel effect trauma’s hebben. Daarom zocht Cecchi naar een andere indicator. Die vond hij in de zogenaamde digit ratio: de verhouding tussen de lengte van de wijsvinger en die van de ringvinger.

Uit de medische literatuur is bekend dat een trauma van de moeder, door hormonale veranderingen, leidt tot een lagere digit ratio bij kinderen. Cecchi controleerde of de digit ratio ook in dit geval een goede maatstaf is. Met behulp van vragenlijsten toonde hij aan dat moeders van kinderen met een lage digit ratio inderdaad vaak een posttraumatische stress-stoornis (PTSD) hadden als gevolg van geweld of verkrachting tijdens de oorlog. Vervolgens speelde Cecchi een bekend gedragsspelletje met kinderen (zie kader), waarin ze snoepjes konden verdelen. Kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap getraumatiseerd waren, bleken veel minder bereid om te delen met anderen.


Snoepjes delen
De ‘public goods game’ die Cecchi gebruikte, gaat als volgt: maak twee keer zes kaartjes zoals afgebeeld. Geef elk van de zes deelnemers een van beide typen kaartjes, en vraag ze, anoniem en zonder met elkaar te overleggen, één ervan te kiezen: zelf drie snoepjes nemen en de anderen geen, of elk van de deelnemers één snoepje gunnen. De meest sociale mensen zullen het laatste doen en als iedereen dat doet, krijgt ieder zes snoepjes. Individualistische mensen zullen kiezen voor het eerste, en als iedereen dat doet, krijgt ieder drie snoepjes. De zogenaamde freerider zal hopen dat anderen de sociale kaart spelen, maar zelf de individuele kaart neerleggen om zo maximaal te profiteren.


Cecchi promoveerde vorige week bij ontwikkelingseconoom Erwin Bulte. Hij is de eerste van vier onderzoekers die promoveren met financiering van de Vici-subsidie (anderhalf miljoen euro) die Bulte in 2010 van NWO kreeg. Bijzonder aan het werk van Bulte is dat hij, in navolging van de Franse econome Esther Duflo, het economische experiment omarmt. Daarmee meten economen de resultaten van ontwikkelingsprojecten of de voorkeuren van mensen, in plaats van ze aan te nemen op basis van theorieën of modellen.


Re:ageer