Wetenschap - 1 januari 1970

Ontwikkelingswerker in eigen dorp

Door de overstromingen in Suriname kwam Vinije Haabo (35) midden in de praktijk van het ontwikkelingswerk terecht. De student International Development Studies ging half mei terug naar zijn geboortedorp Pikin Slee om te kijken hoe het met zijn moeder, oma en tantes was. ‘De tijd is nu rijp voor veranderingen. Ik hoop mijn moeder zover te krijgen dat ze een kippenfokkerij gaat beginnen.’

Vinije Haabo. / foto Guy Ackermans

Toen Haabo na de overstromingen geen contact kon krijgen met zijn moeder wilde hij naar haar toe. Hij ging uiteindelijk in gezelschap van een cameraploeg van de actualiteitenprogramma TweeVandaag. ‘Ik belde met een vriendin die in Suriname bij de Wereldomroep werkt. Toevallig werd zij vlak daarna gebeld door mensen van TweeVandaag met de vraag of ze iemand kende die hen zou kunnen begeleiden naar het rampgebied.’
Haabo vertrok met het idee dat Pikin Slee weg zou zijn. Het water was echter alweer wat gezakt en veel hutten stonden er nog. Ook die van zijn moeder. Alleen van de spullen en voorraden in haar opslaghut was niks meer over. ‘Vorige week kwam het water trouwens voor de derde keer terug. Dat blijft zo tot eind augustus. Het rare is wel dat het water al een paar keer is gezakt tot onder het niveau waarop het normaal staat.’
Door de overstromingen zijn de bewoners van het Surinaamse binnenland veel kwijtgeraakt. Voedsel, maar ook pangi (stoffen), zeep, en witte rum en jenever, dranken die de mensen veel gebruiken bij rituelen. ‘Met dat soort dingen wordt helaas geen rekening gehouden bij de hulpactie.’

Kostgrondjes
In het getroffen gebied leven de mensen bijna helemaal van het woud. Ze kappen stukjes bos en bebouwen deze kostgrondjes twee jaar. Ondanks het hoogwater kon er nog wel wat worden geoogst, maar zaaien op de kostgrondjes wordt nu een probleem. ‘Toch lijkt niemand te beseffen dat er over drie maanden geen voedsel meer is.’
Plannen hoort niet bij de cultuur, vertelt Haabo, en dat komt mede door het geloof. ‘Ik vroeg bijvoorbeeld aan mijn moeder hoeveel rijst en bananen ze normaal oogstte. Maar dat schatte ze nooit. Dan weten de kwade geesten ook dat je dat van plan bent, zei ze, en dan zullen ze dat negatief gaan beïnvloeden.’
Haabo hoopt zijn moeder nu zo ver te krijgen dat ze een kippenfokkerij gaat beginnen. ‘Mensen aten al te weinig eiwitten, maar nu het water zo stijgt, is er geen wildvlees en valt er met hengelen nauwelijks vis te vangen. De kippen die rondscharrelen worden vooral gebruikt bij rituelen. De eieren worden ook wel gegeten, maar het vlees niet. Omdat die kippen zich voeden met restjes eten zou dat vies zijn. Wat vies is wordt door traditie bepaald. Ze eten wel kippenvlees uit de stad. Dat kun je vreemd vinden, maar in het bos moet je gelovig zijn om te overleven. Als je alles rationeel gaat beredeneren kom je nergens.’
Door de overstromingen lijkt de tijd echter wel rijp voor veranderingen. ‘Als mijn moeder kippen gaat fokken kan ze met het geld dat ze verdient weer dingen terugkopen en misschien haar situatie structureel verbeteren. De kippen op de fokkerij zullen dus ook met voer uit de stad gevoerd moeten worden. In ieder geval in het begin.’

Spagaat
Naast de bank in Haabo’s woonkamer in Wageningen staan een paar plastic zakken met kleren en speelgoed, die net door een vriendin zijn gebracht. ‘We sturen ze naar de school in Pikin Slee om ze te laten verkopen. De opbrengst is voor de schoolkas, daar betalen ze uitstapjes van. Ik kan de kleren natuurlijk ook in het dorp uitdelen. Eerder deed ik dat wel en stuurde ik als ik terugging een paar dozen met spullen vooruit. Maar als je dan de volgende keer komt zie je daar niks meer van terug. Door de kleren nu te laten verkopen gaan ze naar de mensen die het echt willen hebben en wordt er bovendien geld ingezameld om andere dingen te doen. Het is een manier waarop ze zelf kunnen groeien. Ik probeer nu te volgen of dit een succes wordt.’

’De mensen nemen me wel serieus, maar noemen mijn denken wit’
Haabo weet uit ervaring dat hulp geven moeilijk is en zit eigenlijk constant in een spagaat. Als enige in de familie, en mogelijk ook in zijn dorp, heeft hij doorgeleerd. Op zijn vijftiende vertrok hij naar Paramaribo. ‘Ik ben toevallig in contact gekomen met mensen die een jongen uit mijn dorp de kans wilden geven om te studeren.’ Omdat hij iets wilde doen waarmee hij terug kon naar het dorp studeerde hij agrarische productie aan de Universiteit van Suriname. Later werkte hij als journalist, maakte hij een taalgids Sranantongo, en had hij plannen dat ook voor het Saramaccaans te doen, zijn moedertaal. Hij studeerde Afrikaanse taal en cultuur in Leiden, maar kwam snel terug omdat hij meer geïnteresseerd bleek in pure taalkunde.
‘Daarna ben ik ngo’s in het gebied gaan helpen bij hun contacten met dorpen in het binnenland, schreef ik over mijn ervaringen in de krant De Ware Tijd, en probeerde te bemiddelen tussen de dorpshoofden en het stamhoofd die in een conflict waren verwikkeld over hun landrechten door de komst goud- en houtmultinationals. Tegelijkertijd bestudeerde ik in de praktijk het Saramaccaans.’
Een Nederlandse documentairemaakster volgde hem toen, in het kader van een serie portretten over 25 jaar Surinaamse onafhankelijkheid. ‘Zij zamelde geld in voor zes klaslokalen omdat de mensen in Pikin Slee wilden dat de kinderen weer naar school konden. Uiteindelijk zijn er maar drie lokalen gebouwd, konden niet alle kinderen naar school en heeft het vijf jaar geduurd voordat eindelijk overal was geverfd.’
Haabo’s ervaringen inspireerden hem om Internationale ontwikkelingsstudies te gaan doen. ‘Met taalonderzoek en journalistiek kun je maar weinig doen voor een gebied. Je bent teveel een waarnemer die op afstand kijkt en noteert.’
Dat er nog steeds contacten zijn tussen een school in Voorburg - die geld inzamelde voor verf en lesmateriaal - en Pikin Slee vindt hij waardevol, omdat het gaat om het beïnvloeden van het bewustzijn van beide groepen kinderen. ‘Ik weet hoeveel het prikkelt als je weet hoe het aan de andere kant van de wereld is. Je wordt je dan bewust van hoe rijk je omgeving is. In Pikin Slee is de natuur mooi, het leven zorgeloos, en er is altijd wat te eten in het bos. Terwijl er elders soms niks te eten is, strijd met de natuur, oorlogen. Als kinderen weten hoe het hier is, beseffen ze misschien dat ze niet hier moeten komen.’

Buitenstaander
Haabo gaat ongeveer eens per jaar naar huis. Veel rust krijgt hij dan niet. ‘Iedereen in het dorp heeft wel een klein probleempje. Als ik over straat loop krijg ik veel vragen. Met een beetje algemene kennis kun je daar heel makkelijk oplossingen voor aandragen. Maar daardoor doe ik er wel een halve dag over om bijvoorbeeld van mijn ene naar mijn andere oma te komen, terwijl het een kwartier lopen is.’
Hij merkt dat hij niet meer het vermogen heeft om spanningen zoals sluimerende dorpsruzies aan te voelen. ‘De mensen nemen me wel serieus, maar noemen mijn denken wit. Ik word gezien als een bakaa, een buitenstaander, een blanke man. Ik kan niet op de dorpsmanier werken en moet vasthouden aan de wetten van het westen. Ik probeer effectief te zijn terwijl daar het poldermodel belangrijk is. Ik vind het dus zonde om hele dagen te moeten vergaderen over iets wat je ook binnen een paar minuten kan besluiten. Ik moet er dus ook niet aan denken om de kippenfokkerij op te zetten met de vrouwenorganisaties. Ik heb mijn handen al vol aan mijn moeder. Als het haar lukt, profiteert uiteindelijk het hele dorp. Als het een succes wordt zul je zien dat anderen het overnemen.’
Afstuderen wil ondertussen alleen niet zo lukken. ‘Door de overstromingen staat alles weer op zijn kop.’ Hij heeft al wel een baan voor als hij klaar is, als promovendus op de universiteit in Nijmegen, voor een onderzoek naar het Saramaccaans, dat een modeltaal kan zijn voor onderzoek naar spraakherkenning op computers. Zo kan hij zijn hobby – taalkunde - voortzetten en tegelijkertijd bijdragen aan ontwikkeling. ‘Want ik kan niet alleen teruggaan om informatie voor mijn taalonderzoek te halen, om alleen te zitten en schrijven. Ik snap niet dat andere onderzoekers dat wel doen. Ik moet meedoen en mijn onderzoek combineren met ontwikkelingswerk. Ik wil op vergaderingen waar ik voor mijn onderzoek ben tenminste kunnen inbrengen dat er meer in de wereld is, dat er mensen zijn die de dingen anders doen.’

Yvonne de Hilster

Zie www.saamaka.com voor informatie over de hulpactie voor Pikin Slee.

Re:ageer