Organisatie - 1 januari 1970

‘Ontwikkelingshulp is racistisch’

Café Loburg zat op 18 mei vol met studenten die ontwikkelingswerker willen worden. Ze luisterden naar schrijver Frank Westerman die hen voorhield dat hun toekomstige beroep aanmatigend, bemoeizuchtig en stuitend is. De studenten waren niet onder de indruk. 'De opleiding is allang niet meer dezelfde als de opleiding die hij deed.'

Westerman studeerde zelf in de jaren tachtig voor irrigatie-ingenieur in Wageningen. Hij koos er echter voor om als journalist te gaan werken en aan de zijlijn te observeren in plaats van als ontwikkelingswerker in te grijpen in het leven van anderen. Zijn nieuwste boek, 'El Negro en ik', is in feite een verantwoording voor die keuze. Westerman wil met het verhaal aangeven dat bemoeizucht met andere culturen, en hij schaart ontwikkelingshulp daaronder, in de grond racistisch is.
'El Negro en ik' gaat over Westermans ervaringen met ontwikkelingswerk en zijn studie in Wageningen. Naast die verhaallijn beschrijft Westerman de geschiedenis van de opgezette Afrikaan El Negro die tot 1997 in een Spaans museum tentoongesteld stond. Beide verhaallijnen komen uiteindelijk in Zuid-Afrika bij elkaar. 'El Negro en ik' is na de succesvolle boeken 'De Graanrepubliek' en 'Ingenieurs van de ziel' Westermans meest persoonlijke boek, en werd bekroond met de Gouden Uil, een Vlaamse literatuurprijs.
Studenten van de studievereniging Nitocra van de studie Internationaal land- en waterbeheer hadden Westerman uitgenodigd om in Wageningen te komen praten over zijn boek. Westerman gaf net als in zijn boek aan dat hij de grens tussen betrokkenheid met arme boeren en bedilzucht en bevoogding flinterdun vindt. 'De boodschap is door de jaren heen steeds geweest: word als wij. Aangepaste techniek, gender-verhoudingen en duurzaamheid, al die trends in ontwikkelingswerk reflecteren alleen maar onze preoccupaties. Ik maak liever geen vuile handen.' Ir Bert Bruins, Irrigatiedocent en studiegenoot van Westerman, koos wel voor ingrijpen. 'Je kan allianties smeden en samen dingen oplossen. Dat is geen bedilzucht.'
Westerman baseert zich vooral op zijn afstudeeronderzoek onder indianen in Peru. Na een langdurige studie van hun irrigatiestelsel bleek dat het beter was er niets aan te veranderen, terwijl hem gevraagd was het te verbeteren. 'Voor mij was die tijd op persoonlijk vlak heel verrijkend, maar de indianen hadden er geen zak aan dat ik er was. Ik vermoed dat dat voor veel ontwikkelingswerkers geldt, al zijn er ook die heel veel voor elkaar krijgen.'
Daarop vroeg een student waarom Westermans aanwezigheid daar niet ook heel verrijkend voor de indianen zou kunnen zijn. Dat bleek een meningsverschil tussen Westerman en de zaal. Westerman gelooft niet zo in het voeren van een dialoog en het samen leren. Hij ziet er al snel bemoeienis in, terwijl de voorstanders van ontwikkelingswerk dat nut wel zien.
De studenten herkenden bovendien lang niet alle bemoeizucht die Westerman ziet. 'De opleiding die wij doen, is allang niet meer dezelfde als de opleiding die Westerman deed', vond een studente. 'In zijn tijd was het dogma ingrijpen en technische verandering. Wij worden gedrild in twijfelen. Dat is het dogma nu. Van geval tot geval situaties beoordelen. En veel twijfelen over ingrijpen.'
Andere studenten hadden gehoopt een antwoord te vinden op de vraag of ontwikkelingswerk nuttig is, maar kwamen bedrogen uit. 'Westerman en Bruins deden dezelfde opleiding, maar kozen een verschillend beroep, de een als beschouwer, de ander als betrokkene. Ze laten het aan onszelf om die keuze te maken.' / JT

Re:ageer