Wetenschap - 1 november 2001

Ontwikkeling gen-gewassen kan biologischer

Ontwikkeling gen-gewassen kan biologischer

In plaats van gen-gewassen te ontwikkelen die ongecontroleerd gif aanmaken, kan je ook genen toevoegen om biologische bestrijders aan te trekken. Dit stelde hoogleraar in de Entomologie prof. Marcel Dicke tijdens een symposium op 30 oktober in Wageningen over transgene insectenresistente gewassen.

"Je moet gewassen op zo'n manier genetisch modificeren dat je de biologische bestrijding van insectenplagen stimuleert of op z'n minst niet belemmert.", zegt Dicke.

"Er is nu een discussie gaande of transgene gewassen nu goed of slecht zijn. Dan zeg ik: d? transgene gewassen bestaan niet. Je kan er goede ?n slechte dingen mee doen." Volgens Dicke zijn er heel wat alternatieven voor het inbouwen van gif-aanmakende genen, zoals dat is gebeurd voor ma?s. In de Verenigde Staten is op grote schaal gen-ma?s geproduceerd, wat tot groot protest heeft geleid onder de Europese bevolking.

Dicke ziet goede mogelijkheden om genetische modificatie te richten op de aanmaak van natuurlijke geurstoffen die biologische bestrijders aantrekken. Te denken valt aan roofvijanden van spintmijten. Spintmijten vormen in veel landbouwgebieden een plaag en zorgen voor grote gewasschade.

Waar Dicke ook aan denkt, is de uiterlijke kenmerken van gewassen zo optimaal mogelijk te maken voor biologische bestrijders. "Onderzoekers hebben bijvoorbeeld ontdekt dat op een weinig behaarde komkommer het voor sluipwespen gemakkelijker is om witte vliegen te bestrijden dan op een sterk behaarde komkommer. Dit is met behulp van klassieke veredeling onderzocht, maar ik kan me ook voorstellen dat je zoiets doet met genetische modificatie."

Een voordeel van deze meer biologische aanpak van gentechnologie kan zijn dat het dan sneller wordt geaccepteerd door de bevolking. Dicke: "Planten manipuleren zodat ze meer geurstoffen voor biologische bestrijders aanmaken, spreekt veel meer aan dan het aanbrengen van genen voor het produceren van giftige stoffen." Ook voor de natuur is het beter, meent Dicke, want de giftige stoffen die via gentechnologie worden aangemaakt, komen terecht in de bodem, het grondwater en in andere organismen die helemaal geen plaag vormen.

"Wat je ook kan doen, is genen inbouwen die alleen de aanmaak van giftige stoffen starten als het nodig is en alleen in een beperkt deel van een gewas. Bij de huidige gen-ma?s is het bijvoorbeeld zo dat het gif continu wordt aangemaakt in de hele plant. Dit kan op een veel verfijndere manier."

Prof. Ian Baldwin van het Max Planck Instituut voor Chemische Ecologie in Duitsland wees er tijdens het symposium op dat gentechnologen veel van de natuur kunnen leren over de selectieve aanmaak van giftige stoffen. Hij onderzocht wilde tabaksplanten die een soort aan- en uitknop blijken te hebben voor het produceren van gif om belagers af te schrikken. Deze planten beginnen pas giftige stoffen te produceren op het moment dat bijvoorbeeld een konijn of rups de plant aanvreet. Voor de rups is dit een andere stof dan voor het konijn. Gezien dit voorbeeld uit de natuur, is het volgens Baldwin waarschijnlijk mogelijk gewassen op zo'n manier genetisch te modificeren dat ze heel selectief gif aanmaken voor bepaalde soorten insecten. Het voordeel is dat er veel minder giftige stoffen worden geproduceerd door de gewassen en er ook minder kans is op vergiftiging van niet-schadelijke organismen. | H.B.

Re:ageer