Wetenschap - 1 januari 1970

Ontwerpatelier op gekraakte woonark

Het is een merkwaardig gezicht. Op wat een gekraakte woonark lijkt in de Rotterdamse Rijnhaven, zitten onderzoekers en ontwerpers druk met elkaar te disputeren. Toeristen op rondvaartboten worden tot vlak bij de ponton gevaren. Zwaaiend en schreeuwend maken ze foto's van de wetenschappers onder dekzeilen. Zo nu en dan legt een zwartgele watertaxi aan om iemand af te zetten of op te halen. Als die weer vertrekt, blijft de ponton woest schommelend achter.

Toeristen op een rondvaartboot fotograferen wetenschappers en ontwerpers die op de Suburban Ark in de Rotterdamse Rijnhaven nadenken over nieuwe vormen van energieopwekking en riolering.

Alterra organiseerde op 23 en 24 juni twee ontwerpateliers op de Suburban Ark, een zelfvoorzienend eilandje met houtgestookte oven, een windmolen, een composttoilet en enkele appelbomen. De ark is een idee van stedenbouwkundige Ton Matton, en gebouwd voor de Rotterdamse Architectuur Biennale als teken van verzet tegen de met pijpen, kabels, draden en andere infrastructuur verbonden huizen in een doorsnee Vinexwijk.
Matton wil in samenwerking met drs Wim Timmermans van Alterra en architect Durzan Doepel van RAL2005, onderzoeken of het mogelijk is draadloos, pijploos en kabelloos te wonen in deze tijd van mobiele telefoons en draadloos internet. De twee ontwerpateliers gingen over het opwekken van elektriciteit met het verschil tussen zout en zoet water, en over nieuwe rioleringstechnieken.

Muur van containers
De techniek om elektriciteit te winnen uit het verschil tussen zout en zoet water is, een bekend natuurkundig trucje, waarbij zout en zoet water gescheiden worden door een membraam. Volgens Gertjan Euverink van Wetsus, het bedrijf dat onderzoek doet aan energieopwekking met zoet en zout water, kun je in zee een energiecentrale bouwen die twee megawatt aan energie kan opwekken, voldoende voor de jaarbehoefte van de drie noordelijke provincies van Nederland. Daarvoor is rij containers met een doorsnee van twee bij twee meter en een lengte van twintig kilometer nodig, waarin de membraam wordt geplaatst.
De meest logische plek voor zo'n verzameling containers is in Nederland de 35 kilometer lange Afsluitdijk, aldus Euverink. Daar kleven echter grote bezwaren aan, stelde oud-voorzitter van de Waddenvereniging Henk Tamelink, want die Afsluitdijk grenst direct aan de 'enige wildernis die Nederland rijk is', de Waddenzee.Tamelink refereerde aan de emotionele discussies die in de afgelopen jaren woedden over gasboringen in de Waddenzee en de plaatsing van windmolens langs de Afsluitdijk. De oproep van Tamelink bracht een splitsing teweeg in het groepje wetenschappers en ontwerpers.

Zoutbellen
Uiteindelijk ontstonden er twee compleet andere ontwerpen. Een groep tekende bij de Afsluitdijk een nieuwe, open duin in het IJsselmeer, met in de duin een vallei waarin het brakke water uit de energiecentrale wordt geloosd, een afgesloten deel waarop trekvogels als de lepelaar konden broeden, en een informatiecentrum over zowel de techniek van energiewinning als de ecologie van de plek zelf. 'De Waddenzee wordt groter', was de redenatie om het publiek voor het ontwerp te winnen. De Waddenvereniging werd gezien als een logische, maar ook noodzakelijke partner.
Bij de andere groep ging zowat het hele noorden op de schop. Langs oude zeedijken in het binnenland werd een enorm lange energiecentrale gepland, met buiten de dijken een brak kwelderlandschap, en binnen de dijken de Friese meren. 'De Waddenzee wordt twee keer zo groot', was hier de verkoopboodschap. Het zoete water van de Friese meren werd in aanraking gebracht met pekelwater uit zoutbellen die twee kilometer onder de grond aanwezig zijn. Dat water is veel zouter dan zeewater en veel warmer, waardoor er meer energie van gemaakt kan worden, terwijl het ook nog gebruikt kan worden voor de verwarming van de nieuwe huizen op de zeedijken.

Plas en poep
Het tweede ontwerpatelier ging over een nieuw rioleringssysteem dat is ontwikkeld door de leerstoelgroep Milieutechnologie. Hierbij worden plas en poep in de pot gescheiden en niet doorgespoeld. De urine is direct bruikbaar als grondstof voor mest, terwijl de feces gebruikt wordt om biogas te maken. 'Het is idioot dat je eerst je poep en plas met water doorspoelt en verdunt, om het vervolgens in zuiveringsinstallatie weer van elkaar te scheiden', zei milieutechnoloog dr Okke Braadbaart. De afvalstoffen in het nieuwe systeem kunnen gemakkelijk weer worden opgenomen in een recycletraject, de mest voor tuinen en parken en het biogas voor de verwarming van de woningen.
De ontwerpers kwamen tot de conclusie dat het systeem niet veel effect heeft op de stedenbouw. Op enkele huizen past het systeem niet, dus moeten de ontwerpers of een wijkje of een torenflat maken, en dat zijn gebruikelijke stedenbouwkundige grootheden. Wel zagen de ontwerpers mogelijkheden om het grijze water dat als afval wordt geproduceerd, zichtbaar her te gebruiken in bijvoorbeeld een fontein of een waterpartij in de wijk. Ook werd er gefilosofeerd over de mogelijkheid om met het systeem nieuwe, tijdelijke woonwijken te maken, die zonder al teveel ondergrondse infrastructuur kunnen worden aangelegd.
Na twee dagen was de conclusie dat de nieuwe technieken stedenbouwkundig relatief neutraal waren, maar dat het ontwerp wel kon helpen om de nieuwe technieken te verkopen aan het publiek. Daarbij moet echter wel de oproep van Tamelink in ogenschouw genomen worden. De neutrale, nieuwe technieken zijn namelijk een ontwerpopgave waarbij de ontwerper op elke plek opnieuw met alle belanghebbenden om tafel moet gaan zitten om te onderzoeken welk ontwerp landschappelijk, ecologisch, maatschappelijk en archeologisch verantwoord is.

Martin Woestenburg

Re:ageer