Organisatie - 2 november 2006

Ontevreden/ Lage cijfers voor hoge managers

De opdrachtgevers van het laatste tevredenheidsonderzoek kregen allebei een veeg uit de pan van de medewerkers van Wageningen UR. De raad van bestuur weet volgens de meesten niet wat er speelt op de werkvloer en wekt maar weinig vertrouwen. De centrale medezeggenschapsraden laten te weinig van zich horen; slechts één op de vijf medewerkers voelt zich goed vertegenwoordigd. Een reactie.

Snotverdulleme
De raad van bestuur weet volgens de medewerkers nog steeds niet wat er op de werkvloer leeft, terwijl Aalt Dijkhuizen met werkbezoeken en ontbijtsessies met medewerkers nog zo zijn best doet om de kloof te dichten. ‘Snotverdulleme’, dacht de bestuursvoorzitter dan ook toen hij zag dat de medewerkers van Wageningen UR evenals in de enquête van 2004 een dikke onvoldoende geven aan het hogere management.
‘Ja, dat verwijt raakt me elke keer, al realiseer ik me ook dat die beoordeling deels te maken heeft met impopulaire maatregelen ten behoeve van de continuïteit van de organisatie. Wij doen in ieder geval ons best, maar kennelijk wordt dat nog niet zo gezien. Ik bijt drie keer op mijn tong en probeer dit resultaat om te turnen naar positieve energie. Nog harder knokken om het beter te krijgen.’
Een ander opmerkelijk resultaat uit het medewerkerstevredenheidsonderzoek is de beoordeling van de bureaucratie. De raad van bestuur heeft de afgelopen jaren meer dan een kwart van de staffuncties geschrapt en toch zegt 60 procent van de respondenten dat de bureaucratie de afgelopen twee jaar juist is gegroeid. Dijkhuizen: ‘Hoe dat komt? Wisten we het maar. We hebben een paar jaar geleden in het kader van Vivre een poging gedaan om de grootste bureaucratische struikelblokken op een rij te zetten. Een soort top tien. Maar dat viel niet mee. Er bleek een zeer divers mandje van ergernissen te zijn. Wij hopen dat de begeleidingsteams die bij de verschillende onderdelen aan de slag gaan met de resultaten van het onderzoek, per eenheid zicht kunnen krijgen op overbodige bureaucratie per afdeling.’
Ook opvallend is de werkdruk. Tweederde vindt dat die de afgelopen jaren is toegenomen. Dijkhuizen: ‘Voor een deel is werkdruk iets wat bij ons werk hoort. Wij hebben werk waarbij het moeilijk is om een grens te trekken, om het tot een van-negen-tot-vijfbaan te beperken. Als wetenschapper werk je aan de grenzen van de kennis. Dat is nooit af. Zeker omdat we daardoor ook mateloos worden gefascineerd. Ik ben ook wetenschapper geweest, ik weet hoe dat werkt. Mijn vrouw moest vaak genoeg aan de rem trekken. Er is altijd meer te doen. En nu merk ik dat een managementbaan ook nooit ophoudt.’
Bij de stafafdelingen spelen ook de reorganisaties een rol, zegt Dijkhuizen. ‘Daar moeten nu minder mensen op een nieuwe manier gaan werken. Dat levert tijdelijk een flinke portie extra werkdruk op. Dat is niet anders. We willen van situatie A naar B. Om daar te komen moeten we door een prop heen. De werkdruk is dus voor een groot deel onvermijdelijk. Belangrijker is misschien wel hoe het staat met het werkplezier. Ik vind het belangrijk dat mensen met een goed gevoel naar hun werk gaan. Wat dat betreft vond ik het heel fijn om weer te zien hoe enorm betrokken onze medewerkers zijn bij hun werk.’
Die betrokken medewerkers hebben overigens weinig vertrouwen in het effect van het tevredenheidsonderzoek. Slechts vier procent heeft gemerkt dat er iets is gedaan met het onderzoek uit 2004. Dijkhuizen: ‘We hebben er wel degelijk wat mee gedaan. Wij hebben bijvoorbeeld het besturingsmodel eenduidiger gemaakt. Onze complexe besluitvorming zorgde voor ruis. Onduidelijk was wie waarover besloot. Er gingen ook nota’s de organisatie in waarvan niemand wist wie de opdrachtgever was. Er moesten allerlei gegevens verzameld worden waar je vervolgens nooit meer wat van hoorde. Dat gebeurt nu niet meer. We hebben één concernraad waar de belangrijkste beslissingen worden genomen, en we zijn erg kritisch in het vragen naar informatie. Maar goed, kennelijk wordt die verbetering nog niet door iedereen zo ervaren. Wij willen daarom deze keer duidelijker zijn over wat wij doen met de resultaten.’
Dijkhuizen wil het onderzoek over twee jaar weer herhalen. ‘Het is een goede manier om weer even met twee benen op de grond gezet te worden. Kritiek krijgen is nooit leuk, maar veel erger zou het zijn als mensen zouden zeggen: laat maar, wat kan mij het schelen.’

Een beetje beter
Ze zijn ‘nog lang niet tevreden’ over hun eigen beoordeling, Wouter van Doorn van de centrale ondernemingsraad (COR), en Hugo Stempher, lid van de COR en de gezamenlijke vergadering. Samen met de raad van bestuur waren de medezeggenschapsraden opdrachtgever voor het onderzoek naar de medewerkerstevredenheid.
In de opiniepeiling gaf 35 procent van de medewerkers aan op de hoogte te zijn van de activiteiten van de centrale ondernemingsraad, en 18 procent voelt zich goed vertegenwoordigd. Dat zijn geen cijfers om trots op te zijn, maar het goede nieuws is dat het beter is dan de vorige keer. Toen was de COR bekend bij 21 procent van de medewerkers en voelde 15 procent zich goed vertegenwoordigd.
‘De toenmalige centrale ondernemingsraad is zich rot geschrokken’ zegt Wouter van Doorn. ‘Het gaat nu beter, maar nog lang niet goed genoeg. De afgelopen twee jaar hebben we vaker de oppositierol gekozen tegen de raad van bestuur. Bijvoorbeeld in de kwestie over de ziektekosten. Ik denk dat mensen dat waarderen. Dat zullen we ook blijven doen.’
Van Doorn en Stempher zijn niet verrast door het grote aantal mensen dat klaagt over bureaucratie. Bijna tweederde van de medewerkers zegt dat de bureaucratie ondanks bezuinigingen op de overhead is toegenomen. Van Doorn: ‘Je moet ten eerste kanttekeningen plaatsen bij die bezuiniging. Bij verschillende onderdelen zijn ook veel banen van onderzoekers verdwenen, dus of er relatief zoveel minder overhead is, is de vraag.
Maar het voornaamste is dat de recente reorganisaties ervoor zorgen dat mensen zich verloren voelen in hun eigen organisatie. Vroeger wist je iedereen blindelings te vinden. Nu weet je niet meer waar je met je vragen naartoe moet. Sommige afdelingen zijn zelfs weg uit je gebouw. Vroeger kon je even bij iemand binnenlopen, nu moet je soms de halve stad doorfietsen.’
Hugo Stempher: ‘Een poosje geleden kon je mensen voor een half jaar aannemen zonder dat je om toestemming hoefde te vragen. Dat is nu niet meer zo. Je moet dus langs veel meer schijven voordat je je zaakjes kan regelen.’
Ook het elektronische bestelsysteem zorgt voor veel klachten. Om kosten te besparen moet iedereen via één systeem labartikelen, papier en dergelijke aanschaffen. Dat klinkt efficiënt, maar zorgt voor veel klachten, omdat zelfs een kannetje koffie voor een vergadering per computer bijtijds besteld moet worden.
De klachten over werkdruk hebben volgens de personeelsvertegenwoordigers vooral te maken met de groeiende druk om financiering binnen te halen voor onderzoek. Stempher, die werkt bij het universitaire deel van de kenniseenheid Voeding: ‘Het werk is helemaal veranderd in de loop van de jaren. Ik heb nog meegemaakt dat de eerste aio op derde geldstroom binnenkwam. Dat werd toen nog gezien als besmet werk. Dat deed je niet. Nu draait de hele universiteit op zulke projecten. Het gesappel om de projecten binnen te halen en alles te verantwoorden kost heel veel tijd en energie. Daarbij komt dat het door de personeelsstop op sommige afdelingen ook echt veel drukker is. Mensen verdwijnen, en de taken moeten dus met steeds minder mensen gedaan worden.’
Waar de centrale medezeggenschap in ieder geval een hogere waardering kreeg dan in het vorige tevredenheidsonderzoek, moet de raad van bestuur het weer doen met dikke onvoldoendes. Van Doorn: ‘Ik vind dat ze te weinig gedaan hebben met de resultaten van het vorige onderzoek. Vorig jaar kwam Dijkhuizen bij A&F om te zeggen dat we werden opgeheven, daarna was hij voor medewerkers onbereikbaar. Hij zegt wel dat hij zijn best doet met werkbezoeken en zo, maar hij zou er moeten zijn als het er echt om gaat.’
In een reactie op deze kritiek zegt Dijkhuizen: ‘Uit het MTO blijkt dat medewerkers vinden dat wij te weinig weten van wat er op de werkvloer leeft en we gaan serieus kijken wat we daar meer aan kunnen doen. Maar ik herken de uitspraken over dit specifieke voorbeeld niet. Feit is dat ik me juist intensief heb bemoeid met de gang van zaken rondom de meest getroffen units bij A&F en daar ook in een aantal bijeenkomsten met de mensen over heb doorgesproken.’

Re:ageer