Wetenschap - 1 januari 1970

Onderzoek naar osteochondrose bij paarden

Wageningse dierwetenschappers willen met behulp van CT-scans en 3D-modellering osteochondrose bij paarden onderzoeken. Eerder zijn in Wageningen op dezelfde manier vreemde vervormingen bij vissen onderzocht. Deze ervaring komt van pas bij het onderzoek naar paarden.

Dit bleek tijdens het paardenseminar op 1 februari bij het Wageningse Departement Dierwetenschappen (Zodiac), drukbezocht door paardenbezitters, managehouders en studenten. Het publiek wilde graag concrete adviezen van de wetenschappers horen. Er werd bijvoorbeeld een Belgische paarden- en ruitertrainer genoemd (Antoine de Bodt), die in staat zou zijn om paarden met een beenafwijking in een kwartier weer normaal te leren lopen.
Dr René van Weeren, paardenspecialist bij de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, temperde echter het enthousiasme: ‘Er zijn zeker bepaalde klinische problemen zoals de hoefkatrolontsteking en bijkomende kreupelheid, die te maken hebben met verkeerde aanhechting van banden en pezen. Dit zijn eigenlijk RSI-problemen. Daar heb je een soort fysiotherapeut voor nodig, zoals deze Belgische trainer. Maar je moet deze problemen onderscheiden van osteochondrose. Dat is iets heel anders en niet zo makkelijk op te lossen.’
Osteochondrose is een vrij nieuwe ziekte bij paarden. Sinds de jaren zeventig wordt het als een klinisch probleem gezien. Het betreft een onregelmatige verbening van het kraakbeen in bijvoorbeeld de knie, hals en elleboog. Er ontstaan scheuren en het bot wordt almaar zwakker. In Noord-West Europa krijgt zo’n 25 procent van de veulens osteochondrose. Niet zelden worden ze uiteindelijk afgemaakt.
Aan de Universiteit Utrecht is al ruime ervaring met röntgenologisch onderzoek van osteochondrose, maar sinds kort werken de onderzoekers samen met de Wageningse leerstoelgroepen Experimentele Dierkunde en Fokkerij en Genetica, om een nieuwe invalshoek uit te proberen. Hoogleraar experimentele dierkunde prof. Johan van Leeuwen: ‘Wij hebben veel onderzoek gedaan bij andere dieren zoals vissen, maar je kan de ontwikkelde technieken naadloos overbrengen op het paard. Wij doen aan ‘reverse engineering’. Wij lezen de architectuur van het bewegingsapparaat in door middel van scans, en gaan na waarom de natuur het dier zo heeft gebouwd. Met 3D-modellen en bewegingsapparaten kijken we hoe gewrichten reageren op spanningen en welke krachten bijvoorbeeld osteochondrose veroorzaken.’
Zo heeft dr. Sander Kranenbarg van de leerstoelgroep Experimentele Dierkunde deze methode met succes toegepast op de zeebaars, een vis die soms vreemde skeletafwijkingen vertoont, een soort bochel. ‘Ik heb een micro CT-scan gedaan en zwakke plekken gemodelleerd. Door de snelle zwembewegingen komt er zo’n druk te staan op het skelet dat de wervels afwijkingen vertonen.’
Prof. Van Leeuwen zal zich niet verbazen als osteochondrose bij paarden in ieder geval voor een deel te maken heeft met een te grote belasting van het paard door ruiters, en een verkeerde manier van lopen. Bij wilde paarden komt osteochondrose immers nauwelijks voor. ‘De ruiter is een abnormale last voor het paard, en zeker met de steeds zwaarder wordende Nederlander. Vooral de voorbenen krijgen het te verduren.’
Terecht vragen de toehoorders wanneer ze van het onderzoek van Van Leeuwen’s team kunnen profiteren. Ze willen concrete adviezen. Van Leeuwen bekent dat hij niet weet wanneer hij die kan geven. ‘Hopelijk over twee jaar krijgen we nieuwe inzichten met behulp van onze 3D-modellering. Dan kunnen we misschien adviezen geven voor de training van paarden. Nieuwe fokprogramma’s om osteochondrose te voorkomen, kunnen nog jaren op zich laten wachten.’ /HB

Re:ageer