Organisatie - 5 oktober 2006

Onderduiken in de bodem

Een razzia die de Duitse bezetter bij vergissing in Wageningen hield, zette een typisch Wagenings specialisme bijna letterlijk op de kaart. De bodemkaarten die voortkomen uit het semi-illegale veldwerk van studenten die in de Tweede Wereldoorlog in de Bommelerwaard onderdoken, kregen na de bevrijding een enthousiast onthaal.

De razzia in februari 1943 in Wageningen is eigenlijk één grote vergissing. De Duitsers pakken in die maand vooral studenten op als represaille voor de aanslag op generaal Seyffardt. Vlak voor hij sterft geeft hij nog een signalement (‘twee studenten’) door. Daarop geeft SS-leider Rauter opdracht om studenten op te pakken in de provincies Noord- en Zuid-Holland en in Utrecht.
Later blijkt overigens dat de Nederlandse collaborateur neergeschoten werd door leden van een radicaal-linkse verzetsgroep. Doordat de bezetters denken dat Wageningen in de provincie Utrecht ligt, wordt de razzia in deze stad ook nog eens per ongeluk uitgevoerd. Overvalwagens bezoeken laboratoria en in een aantal straten worden de huizen doorzocht. In totaal worden 43 Wageningse studenten als gijzelaars naar kamp Vught afgevoerd. De meesten komen overigens spoedig weer vrij.
De gebeurtenissen in februari 1943 zijn voor veel studenten aanleiding om onder te duiken. ‘Het werd duidelijk dat normaal studeren niet meer mogelijk was en iedereen zocht een goed heenkomen’, zo verwoordde de inmiddels overleden ir. Kees Hoeksema het ooit. Hij was in 1943 studentassistent van hoogleraar Agrogeologie prof. C.H. Edelman, die zichzelf in die maand ‘belast’ met de samenstelling van een bodemkaart van de Bommelerwaard. Een tiental studenten duikt onder in dit relatief veilige stuk rivierenlandschap tussen Waal en Maas om veldwerk uit te voeren. Het gebied wordt zo oefenterrein en leerschool van een nieuwe generatie bodemkundigen.
Voor de studenten biedt de Bommelerwaard goede mogelijkheden om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. ‘We liepen wel enig risico tijdens het veldwerk, maar in zo’n landelijk gebied was de kans dat Duitsers gericht op zoek gingen natuurlijk erg klein’, aldus Hoeksema. Hoewel de eveneens ondergedoken Edelman geen opdracht had gekregen voor de kartering, weet de hoogleraar wel ondersteuning voor het initiatief te regelen. Zo betaalt de Cultuurtechnische Dienst vergoedingen aan de ondergedoken studenten en ontvangen twee medewerkers gewoon loon van de Landbouwhogeschool.
De jonge bodemkarteerders gebruiken voor het eerst op grote schaal de grondboor, in plaats van profielkuilen te graven. Hierdoor kon een ploeg dagelijks vijf tot tien hectare in kaart brengen. In september 1944, als het werk door toegenomen oorlogsgeweld stil komt te liggen, is vierduizend hectare gekarteerd.
Al spoedig na de bevrijding verschijnt de eerste bodemkundige overzichtskaart van het gebied. De kaart maakt indruk in de land- en tuinbouwwereld, omdat je er in een oogopslag de teeltgeschiktheid van de grond uit kunt afleiden. De bodemkaarten zijn onontbeerlijk voor herverkaveling, wegaanleg en stadsuitbreiding.
Edelman voelt feilloos aan dat de bodemkartering een grote rol kan gaan spelen bij de wederopbouw. Hij richt in augustus 1945 de Stichting voor Bodemkartering op (Stiboka, later via het Staring Centrum opgenomen in Alterra), die zich toelegt op de productie van bodemkaarten. De gedetailleerde, kleurrijke bodemkaarten zijn jarenlang belangrijke Wageningse visitekaartjes.
Volgens Edelman is het succesverhaal van de Bommelerwaard mede te danken aan het misverstand dat de bodem van het kleine Nederland al lang goed bekend was. ‘De groep studenten bevond zich als het ware in een tuin, waar de rijpe vruchten zo maar van de bomen vielen.’

Re:ageer