Organisatie - 25 september 2008

ONTWIKKELING op de vierkante meter

Dé Afrikaanse landbouw bestaat niet. En dé aanpak voor de ontwikkeling ervan dus ook niet. Ontwikkel daarom samen met boeren oplossingen op kleine schaal. Dat is het advies van Wageningse deskundigen aan Kofi Annan. ‘Binnen honderd meter, op hetzelfde veld, heb je soms al meerdere strategieën nodig.’

achtergrond_0_156.jpg
‘Er is geen silver bullet om de landbouwproblemen in Afrika op te lossen’, zegt Ken Giller, hoogleraar Plantaardige productiesystemen. ‘We moeten werken aan best-fit options.’ Samen met zijn collega’s André de Jager, Willem Takken en Kleis Oenema adviseerde Giller Kofi Annan over succesvolle strategieën om de Afrikaanse landbouw te stimuleren, daags na diens toespraak tijdens de opening van het academisch jaar van Wageningen Universiteit.
Technologische kennis in de vorm van bijvoorbeeld nieuwe hoogproductieve of resistente gewassen kan zeker een rol bij spelen bij de ontwikkeling van de Afrikaanse landbouw, vindt Giller. ‘Maar je moet eerst vaststellen: over welke boeren in welk gebied hebben we het?’ De productieomstandigheden op dit continent lopen sterk uiteen. Giller heeft die diversiteit in kaart gebracht in acht Afrikaanse landen in het door de EU gefinancierde project AfricaNuances. Het gaat om farming systems, zoals de productie van katoen en granen in Mali, de teelt van bakbananen in Tanzania, Oeganda en Rwanda en de teelt van maïs en erwten in zowel Kenia als zuidelijk Afrika.
Door de gegevens van verschillende gewassen onder uiteenlopende ecologische omstandigheden in een model te stoppen, heeft Giller nu een methodologie ontwikkeld die best-fit options opspoort. Daarmee hoopt hij de komende jaren, met geld van de Bill and Melinda Gates Foundation, een landbouwadviessysteem voor Afrikaanse boeren te ontwikkelen.

De groene revolutie van Kofi Annan
For Africa to again feed itself, and join the league of agriculture-exporting regions, we need an African Green Revolution’, stelde Kofi Annan tijdens de opening van het academisch jaar aan Wageningen Universiteit. ‘Our Green Revolution must embrace a comprehensive programme of support for Africa’s smallholder farmers. It must recognise and protect the great diversity of Africa: our environments, crops, and cropping systems.
Annan is hoeder van AGRA, Alliance for a Green Revolution in Africa, de organisatie die drie jaar geleden ontstond toen Annan nog secretaris-generaal van de Verenigde Naties was. AGRA heeft programma’s ontwikkeld op het gebied van zaadveredeling, bodemvruchtbaarheid, watermanagement, ketenonderzoek en landbouwonderwijs. Sinds zijn vertrek bij de VN reist Annan de wereld over om partners en medefinanciers aan ‘zijn’ initiatief te verbinden. Hij tracht de westerse kunstmestindustrie en zaadveredelaars tot investeringen te bewegen, zodat hun producten betaalbaar worden voor kleine Afrikaanse boeren. Maar hij zinspeelt ook op protectie. Alle landbouwexporteurs in de wereld beschermen hun boeren, alleen de Afrikaanse boer staat er alleen voor, stelt Annan. Hij doelt daarbij ook op het vaak povere landbouwkundig onderzoek en onderwijs in Afrika.
Belangrijkste financier van AGRA tot nu toe is de Gates Foundation, die behalve in gezondheidsprojecten in Afrika nu ook in de landbouw investeert.
De Wageningse Afrika-kenners denken dat Annan het gezag heeft om een bonte verzameling aan organisaties rond zijn initiatief te verbinden. Ze hopen vooral dat hij de Afrikaanse regeringen tot investeringen in de landbouw weet aan te zetten. Slechte grond
Bij zijn inventarisatie stuitte Giller op heel praktisch toepasbare kennis. ‘Op de maïsvelden in Kenia zagen we grote verschillen. De maïs dicht bij het huis van de boer stond er vaak goed bij, ver weg van het huis groeide de maïs vrijwel niet. Dicht bij het huis was de bodem goed onderhouden en had de boer dierlijke mest gebruikt. Daar heeft kunstmest zin, want in combinatie met dierlijke mest werkt kunstmest honderd procent beter. Op de slechte grond, vaak meer dan de helft van het areaal, werkt die combinatie echter niet. Daar moet je eerst de bodem verbeteren. Wat ik er mee wil aangeven: binnen honderd meter, op hetzelfde veld, heb je al meerdere strategieën nodig.’
Giller hoopt zo op een stapsgewijze verhoging van de productie, zodat de boeren meer kunnen investeren in bijvoorbeeld kunstmest. Daarbij moeten we dan niet vergeten, zegt onderzoeker André de Jager van het LEI, dat die kunstmest op het juiste moment ook op afgelegen plekken beschikbaar moet zijn. En dan niet in grote zakken van vijftig kilo, die de kleine boeren niet kunnen kopen, maar in zakjes van tien kilo.
De Jager richt zich op afzetketens voor kleine boeren in verschillende Afrikaanse landen. Zo tracht hij prijsafspraken tot stand te brengen tussen kleinschalige sesam- en zonnebloemtelers in Oeganda, de handelaren en de verwerkers van plantaardige olie. Prijsafspraken worden tot nu toe zelden nagekomen, zegt De Jager. Als de marktprijs omhoog gaat, leveren de boeren aan een ander; gaat ie omlaag, dan geven de handelaren niet thuis. ‘Ik probeer ze ervan te overtuigen dat dat op korte termijn gunstig is, maar dat op de lange termijn prijsafspraken voordelen bieden voor allen.’

Steentjes in de vijver
De criticus zal zeggen: dit zijn steentjes in de vijver van Afrikaanse onderontwikkeling. Of: kunnen ze dat zelf niet verzinnen, hoeveel meer projecten hebben we nog nodig? ‘Tja’, zegt De Jager, ‘een nieuw hoogproductief voedselgewas op een proefveld dat over twee jaar praktijkrijp is, maakt veel meer indruk. Zo’n ketenorganisatie is veel complexer, daar heb je meer woorden voor nodig. Maar voor ons is het essentieel. We werken in al onze projecten nauw samen met Afrikaanse onderzoekers en marktpartijen en we leiden supply chain facilitators op, zodat de lokale mensen het voortaan zelf kunnen.’
Ook Kleis Oenema, projectcoördinator bij Van Hall Larenstein, leidt Afrikanen op. ‘Wageningen Universiteit is vooral bezig met het versterken van het MSc-onderwijs en PhD-onderzoek, wij bij Van Hall Larenstein richten ons op curriculumontwikkeling van BSc-opleidingen en docententraining.’ VHL heeft projecten voor competentiegericht onderwijs in Ethiopië, Benin, Rwanda, Mozambique en Zuid-Afrika en het recept is steevast: docenten moeten de praktijk leren kennen.
Dit neemt soms zeer praktische vormen aan. ‘In Rwanda doen we een project op het gebied van ondernemerschap van kleine boeren. De docenten van de universiteit moeten een praktijkonderneming opzetten, bijvoorbeeld een champignonkwekerij of een kalverhouderij.’ En leidt dit tot ontwikkeling? ‘Als er geen geld is, in de vorm van microkredieten, gaat het niet lukken’, zegt Oenema.
In vaktermen gaat het dan om institutional development: lokale of regionale organisaties die de capaciteit hebben om kennis en vaardigheden te delen met de boeren. Dat is een probleem in Afrika, zeggen de Wageningse kenners, want de nationale onderzoeksorganisaties (NAR’s) leiden in de meeste landen een zieltogend bestaan. De Afrikaanse leiders hebben nooit geïnvesteerd in landbouwkundig (praktijk)onderzoek en het platteland, zegt De Jager; ze richtten zich uit electorale overwegingen op de stad.

Omslag
Maar De Jager ziet een omslag, sinds internationale organisaties als de Wereldbank de landbouw bovenaan hun prioriteitenlijstje voor Afrika hebben gezet. En de stijging van de voedselprijzen, waar de stedelijke kiezers last van hebben, heeft ook Afrikaanse regeringen aan het denken gezet. ‘Ik zie een betere landbouwondersteuning in Oeganda, Mozambique en Ghana’, zegt De Jager. Giller is minder optimistisch. ‘De Afrikaanse leiders zeggen dat ze meer in landbouw willen investeren, maar deze woorden zijn nog niet vertaald in actie. Ik zit drie maanden per jaar in Afrika, ik kom bij boeren binnen en het is vaak echt droevig om te zien hoe weinig vermogen ze hebben.’
Juist de lokale onderzoeksorganisaties en veldstations kunnen de kleine boeren uit hun armoedige positie helpen, zeggen De Jager en Giller. De laatste refereert aan het boek ‘The White Man's Burden’ van voormalig Wereldbank medewerker William Easterly. Die stelde in 2006 aan de hand van vijftig jaar ontwikkelingshulp vast dat westerse donoren hun grote ambities moeten opgeven als ze arme mensen willen helpen. Ter plekke stukje bij beetje de problemen van de armen helpen oplossen heeft de grootste kans op succes, concludeerde Easterly.

Re:ageer