Wetenschap - 1 januari 1970

Nominatie Grootste Wageninger: Jan de Wilde

De inzet van natuurlijke vijanden zoals sluipwespen en roofmijten tegen plagen is niet meer weg te denken uit Nederlandse kassen en boomgaarden. Het was prof. Jan de Wilde (1916-1983) die aan de wieg stond van deze biologische bestrijding. De charismatische hoogleraar Entomologie zorgde er tevens voor dat Wageningen meer aandacht ging besteden aan fundamenteel onderzoek.

Foto: Prof. Jan de Wilde (rechts) krijgt ter gelegenheid van ‘zijn vijftigste promotie’ in 1979 een glazen coloradokever van rector prof. Henk van der Plas. / foto Rein Heij

‘Ik dacht bij het eerste college: 'Wat is dat voor een rare Amerikaan!’ Hij sprak met zo'n rollende r. Maar hij bleek een rasechte Amsterdammer te zijn.’ Malaria-expert dr Willem Takken studeerde en promoveerde bij De Wilde. ‘Hij leek net een dampende fabriek, met die onafscheidelijke grote sigaar in zijn mond. Hij had heel veel aandacht voor zijn studenten en een hart van goud. Toen ik zei dat ik de voorkeur gaf aan medische entomologie, regelde hij dat met een Amsterdamse collega voor mij. Zelfs om daar te mogen promoveren verleende hij alle steun. Als een student graag iets wil, moet je hem medewerking verlenen en niet tegenwerken, was zijn standpunt’, aldus Takken.
De Wilde heeft, volgens de huidige hoogleraar Entomologie prof. Marcel Dicke, Wageningen internationaal op de kaart gezet. ‘Vijftig jaar geleden haalde hij het International Congress of Entomology naar Nederland. Nu, twintig jaar na zijn dood, wordt er nog altijd over hem gesproken. Hij heeft Wageningen bestempeld tot leverancier van alternatieven voor chemische bestrijding’, aldus Dicke.
De Wilde ontpopte zich tevens tot een ware promotiemachine. In de bijna dertig jaar dat hij leiding gaf aan het Laboratorium voor Entomologie zijn 57 onderzoekers bij hem gepromoveerd, waaronder veel mensen uit ontwikkelingslanden. Tot lang na zijn dood was hij koploper in de hitlijst van Wageningse promotoren. Dat hij inmiddels is ingehaald, komt vooral door de invoering van de assistent-in-opleiding en de onderzoekscholen, waarna het aantal promoties in een enorme stroomversnelling is geraakt.

Omstreden
De aanstelling van entomoloog De Wilde tot hoogleraar was in 1953 overigens een omstreden zaak. De senaat van de Landbouwhogeschool koos zelfs in grote meerderheid - 21 tegen 6 stemmen - voor een andere kandidaat. De leden vroegen zich af of fundamenteel onderzoeker De Wilde, op dat moment werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam, wel voldoende oog had voor ‘praktische vraagstukken’. Dat De Wilde toch hoogleraar werd, is vooral te danken aan koppige curatoren, die zich waarschijnlijk lieten leiden door het advies van de gezaghebbende Leidse dierkundige prof. D.J. Kuenen.
De andere kandidaat miste volgens Kuenen ‘de ruime kijk en inspirerende kracht van De Wilde’ en zou ‘nimmer van Wageningen het entomologisch centrum maken wat het krachtens de betekenis van de Landbouwhogeschool zou moeten zijn’. De curatoren zagen het belang in van ‘origineel en fundamenteel onderzoek’ en stelden de minister voor, in afwijking van het senaatsbesluit, De Wilde voor te dragen. Op 1 juni 1954 werd hij benoemd tot ‘hoogleraar in dierkundig deel van de planteziektenkunde’.

Natuurlijke vijanden
Onder leiding van De Wilde richtte de Wageningse entomologen zich inderdaad vooral op fundamenteel onderzoek naar de fysiologie van insecten en insect-plantrelaties. De Wilde koos nadrukkelijk voor een alternatieve, meer op de biologie geënte insectenbestrijding, terwijl velen toen juist de chemische bestrijding als de oplossing zagen voor insectenplagen. Al in 1955 werd hiertoe de commissie-De Wilde gevormd, die in 1958 overging in de Werkgroep Harmonische Bestrijding van Plagen, en nog later in de Werkgemeenschap Geïntegreerde Bestrijding van Plagen. Deze werkgroep zorgde er voor dat Nederland een voortrekkersrol ging spelen bij het ontwikkelen van milieuvriendelijkere biologische bestrijdingsmethoden, zoals het gebruik van lokstoffen (feromonen) in boomgaarden en de inzet van sluipwespen en andere natuurlijke vijanden in de bestrijding van plagen in kassen.

Biologie
De Wilde had een ongekende werklust en inspirerende persoonlijkheid. Dat bleek toen de Landbouwhogeschool in november 1969 uit Den Haag het verzoek kreeg een studierichting Biologie te ontwikkelen omdat de bestaande universitaire opleidingscapaciteit bij zes universiteiten te klein was. Onder leiding van De Wilde wist een commissie binnen een half jaar een doortimmerd studieprogramma op te zetten. Zo kon deze studie reeds in september 1970 van start gaan. Het is nog maar de vraag of de Wageningse universiteit zonder de opleiding Biologie – die uitgroeide tot een van de grotere en meest gewaardeerde in Nederland – ongeschonden de latere bezuinigingsoperaties zou hebben overleefd. Dat de Wageningse opleiding biologie zo snel van de grond kwam, was volgens rector Hellinga met name te danken aan De Wilde, ‘een onzer meest energieke hoogleraren’.
Prof. Marcel Dicke bevestigt dat De Wilde bekend stond als iemand die ‘niet gauw opgaf als hij zich ergens voor inzette’. Legendarisch is de geschiedenis van het gebouw van Entomologie dat in 1961 gereed kwam. Het College van Bestuur zei er geen geld voor te hebben. De Wilde kocht een stukje bouwgrond aan de Binnenhaven, wist via connecties het keldergedeelte te laten bouwen en ging toen naar het college met de mededeling dat ze nu verder moesten bouwen. Hij kreeg zijn zin, maar alleen het linker gedeelte – voor Entomologie - werd neergezet. Het duurde nog zes jaar voor de rechterhelft - voor Fytopathologie - gereed kwam.

Lydia Wubbenhorst en Gert van Maanen

Links:
Entomoloog De Wilde is grootste (Wb 37, 16 december 2004)
De Wilde internationaal bewonderd (Wb 37, 16 december 2004)
Redactioneel: Grootste Wageninger (Wb 37, 16 december 2004)
Jury nomineert tien Grote Wageningers (Wb 29, 7 oktober 2004)

Louise Fresco
Jo Hautvast
Evert Willem Hofstee †
Maarten Koornneef
Rommert Politiek
Bernard Slicher van Bath †
Mien Visser †,
Egbert de Vries †
Jan de Wilde †
Cees de Wit †

Re:ageer