Wetenschap - 1 januari 1970

Nominatie Grootste Wageninger: Evert Willem Hofstee

Evert Willem Hofstee (1909-1987) was een socioloog wiens invloed nu nog zichtbaar is in de Flevopolders. Zijn grote invloed op de naoorlogse ontwikkeling van Nederland is mede terug te voeren op zijn lidmaatschap van talrijke commissie, raden en besturen. Hij adviseerde maar liefst vijf ministeries. Een man met een groot geloof in de maakbaarheid van de samenleving.

Prof. Evert Willem Hofstee. / foto Guy Ackermans

‘Hij had een liefdevol oog voor details en een fijne neus voor de verscheidenheid op het platteland, voor de uiteenlopende bedrijfsstijlen. Hij is bekend geworden met zijn differentiële sociologie en hield een pleidooi voor ‘de betekenisvolle verschillen’, die vaak heel dicht bij de mens lagen’, zegt hoogleraar Rurale sociologie prof. Jan Douwe van der Ploeg.
Evert Willem Hofstee werd in 1909 geboren als zoon van een hoofdonderwijzer in het Groningse plaatsje Westeremden. Hij studeerde sociale geografie aan de Universiteit van Amsterdam, alwaar hij in 1933 cum laude afstudeerde en in 1937 met lof promoveerde. Ook voor een briljante jonge academicus als Hofstee lagen de banen in de crisisjaren echter niet voor het oprapen. Uiteindelijk vond hij in Groningen een baan bij de Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie, een jaar later aangevuld met een privaatdocentschap aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Tien dorpen
Nog tijdens de bezettingsjaren ging Hofstee aan de slag als adviseur van de Directie Wieringermeer en de Dienst Zuiderzeewerken. Daar maakte hij zich sterk voor de aanleg van tien dorpen in de Noordoostpolder rond een centrale kern, waardoor de afstand tussen boerderij en winkel of kerk met de fiets kon worden afgelegd. ‘Niemand kon zich in de jaren veertig ook maar bij benadering de enorme ontwikkeling van het verkeer voorstellen’, erkende Hofstee later.
Hij adviseerde ook over sociografische kwesties als de kavelgroottes en – de later veel bekritiseerde – selectie van de kolonisten. De Noordoostpolder moest volgens hem een goede afspiegeling vormen van de bevolking op het oude land, een rurale modelsamenleving worden waarin alle geledingen en gezindten vertegenwoordigd waren. Hofstee bleef, ook nadat hij in 1946 werd benoemd tot hoogleraar Economische en sociale geografie en de sociale statistiek in Wageningen, betrokken bij de inrichting van de Flevopolders. Maar bij de planning van Oostelijk en Zuidelijk Flevoland waren al veel van de oorspronkelijke ambities overboord gezet en werd flexibiliteit het sleutelwoord.

Demografie
Als wetenschapper legde Hofstee zich steeds meer toe op de demografie. Al in 1949 werd hij voorzitter van een commissie die onderzoek deed naar de ontwikkeling van het aantal geboorten in Nederland. Het was de start van de babyboom en in enquêtes werd – voor die tijd gewaagd - expliciet geïnformeerd naar het toepassen van geboortebeperking.
Regionale verschillen in geboortecijfers waren volgens Hofstee vooral een gevolg van verschillen in sociaal-economische omstandigheden. Deze constatering bezorgde hem een jarenlange polemiek met andere sociologen die de invloed van de rooms-katholieke kerk als een beslissende factor zag.
In 1970 richtte Hofstee het Nederlands Interuniversitair Demografisch Instituut (NIDI) op. Hij was de eerste tien jaar bestuursvoorzitter van dit instituut. De verschijning van zijn ‘Korte demografische geschiedenis van Nederland van 1800 tot heden’ in 1981 vorm de bekroning van een lange reeks van ruim 200 invloedrijke publicaties.

Adviseur
Hofstee’s grootste invloed op de naoorlogse ontwikkeling van Nederland is echter terug te voeren op zijn lidmaatschap van talrijke commissie, raden en besturen. Hij adviseerde maar liefst vijf ministeries. Mede op zijn initiatief ontstonden de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR, 1972), het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP, 1974) en de Raad voor Advies van het Wetenschapsbeleid (RAWB, 1966). Hij is lid geweest van de Academische Raad, de Onderwijsraad, de Centrale Commissie voor de Statistiek en de Rijksplanologische commissie.
In Wageningen bemoeide Hofstee zich met de uitbouw van het onderwijs en onderzoek in de maatschappijwetenschappen die onder meer leidde tot de oprichting van een zelfstandige studierichting sociologie. Hoewel hij nooit ‘school’ heeft willen maken, gaf hij in de 34 jaar waarin hij in Wageningen werkte een groot aantal Wageningers de kennis van en het gevoel voor maatschappelijke verhoudingen en problemen mee. Hij betreurde destijds zeer de kwijnende belangstelling voor de agrarische sociologie. In het interview met Spil signaleerde Hofstee dat steeds meer studenten sociologie de alternatieve kant opgingen. ‘Ze konden hun agogische zaken en maatschappijveranderingen niet kwijt op de boerenbevolking en misten toen helaas de aansluiting’. Hofstee vond dat heel jammer, voor zowel de studenten als voor de Landbouwhogeschool.
Jan Douwe van der Ploeg ziet Hofstee vooral als de wetenschapper die als geen ander zichtbaar heeft gemaakt dat boeren onderling verschillen. ‘Een boer in Drente spant zijn paard anders in dan een boer in een ander gebied . Zelfs de keuze van de tarwerassen is verschillend. Daardoor dient de voorlichting ook anders te zijn. Laat me zien hoe de boer met zijn vee omspringt en ik vertel u wie hij is, hoe hij met zijn vrouw omgaat en zijn omgeving. Hofstee was een beta-gammamens avant la lettre.’

Lydia Wubbenhorst en Gert van Maanen

Links:
Entomoloog De Wilde is grootste (Wb 37, 16 december 2004)
De Wilde internationaal bewonderd (Wb 37, 16 december 2004)
Redactioneel: Grootste Wageninger (Wb 37, 16 december 2004)
Jury nomineert tien Grote Wageningers (Wb 29, 7 oktober 2004)

Louise Fresco
Jo Hautvast
Evert Willem Hofstee †
Maarten Koornneef
Rommert Politiek
Bernard Slicher van Bath †
Mien Visser †,
Egbert de Vries †
Jan de Wilde †
Cees de Wit †

Re:ageer