Wetenschap - 1 januari 1970

Nominatie Grootste Wageninger: C.T. de Wit

Het is goed voor de natuurlijke hulpbronnen om te streven naar hoge opbrengsten in de landbouw. Juist door de inzet van kunstmest en bestrijdingsmiddelen is uiteindelijk per eenheid product minder grond en energie nodig. Hoogleraar Theoretische teeltkunde prof. Cees - C.T. - de Wit (1924-1993) maakte in de jaren zestig school met zijn pleidooi voor een efficiëntere landbouw.

Prof. C.T.de Wit. / foto Guy Ackermans

'C.T. de Wit stak met kop en schouders uit boven zijn fellowtravellers in Wageningen’, meent universiteitshoogleraar prof. Rudy Rabbinge, die jarenlang verbonden was aan de op De Wits werk voortbouwende vakgroep Theoretische Productie Ecologie. ‘Hij heeft in zijn leven wel vijf proefschriften geschreven, theoretisch gezien.’
De Wit begon met iets dat van oorsprong heel triviaal klinkt: het uitstrooien van kunstmest in rijen of breedwerpig, vertelt Rabbinge. Een ander onderwerp waarin hij uitblonk was mengteelt. Zijn publicatie ‘On competition’ behoort tot de klassiekers in de landbouwwetenschap. Haver en gerst gedijen niet op dezelfde bodemvruchtbaarheid, maar hij wist door een mengsel van die twee daar een oplossing voor te vinden die verstrekkende gevolgen had. Ook zijn onderzoek naar de betekenis van fotosynthese voor gewasgroei was baanbrekend.

Voor gek verklaard
De Wit werd als student op het spoor gezet van het kwantificeren van landbouwproductie. Zijn proefschrift uit 1953 was een van de eerste publicaties waarin een schatting werd gemaakt van wat een landbouwgewas precies kan opbrengen. ‘Op basis van mijn theorie werd voorspeld dat tarwe 10.000 kilogram droge stof per hectare kon opbrengen, terwijl het 4.000 kilogram was. Je werd toen voor gek verklaard. Nu is het zelfs 12.000 kilogram’, vertelde De Wit een jaar voor zijn dood.
Als een van de eerste landbouwonderzoekers maakte De Wit gebruik van computers en dynamische modellen die tot dan alleen door economen gebruikt werden. Kort na zijn promotie trad hij in dienst bij een voorloper van het Centrum voor Agrobiologisch Onderzoek (CABO). In 1968 werd hij tevens buitengewoon hoogleraar Theoretische teeltkunde aan de Landbouwhogeschool. Bijzonder was dat de universitaire onderzoeksgroep gehuisvest werd bij het CABO, toen een zelfstandig onderdeel van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO). De uit deze onderzoeksgroep voortgekomen gewasgroeimodellen, zoals Sucros en Oryza, bezorgden Wageningen wereldfaam.

Wandelstok
De Wit was een bevlogen mens en had een sterk ontwikkeld gevoel voor sociale rechtvaardigheid. Als lid van de hogeschoolraad bezorgde hij bestuurders grijze haren door regelmatig, zonder het woord af te wachten, zijn stem te verheffen met de retorische vraag ‘Mensen, waar zijn we nou toch mee bezig?’ Ten tijde van de democratisering van de universiteit voerde hij vaak scherpe debatten, waarbij de emoties hoog konden oplopen en hij geen tegenspraak duldde. Later, toen hij slecht ter been was en met een stok moest lopen, zwaaide hij daar vaak mee om zijn woorden kracht bij te zetten.
Rabbinge noemt De Wit 'een groot vernieuwer van de landbouwwetenschap'. De landbouw in ontwikkelingslanden lag hem na aan het hart. ‘De landbouwproblemen daar vind ik veel interessanter dan de problemen in Nederland, omdat ze veel relevanter zijn en de basis van het bestaan raken. Wat wij in Nederland zitten op te lossen zijn alleen maar problemen die uit luxe voortkomen’, aldus De Wit in 1993. Rabbinge: ‘Hij wilde graag arme mensen helpen, maar niet 'van de wal in de sloot'. Hij vond dat je ze met respect moet behandelen en ze de hulpmiddelen in handen geven waarmee ze de beroerde voedselsituatie zelf kunnen verbeteren’.
Befaamd is zijn uitspraak: ‘Wie wil dat men elders water drinkt, moet hier niet alleen wijn willen drinken’. Rabbinge: ‘Achthonderd miljoen mensen in de wereld lijden honger, terwijl er een overvloed aan voedsel is. Daar wilde De Wit iets aan doen. Dat wetenschap niet vrijblijvend is, maar verplichtingen schept, was zijn stellige overtuiging. Ze moet niet alleen worden beoefend vanuit een bepaalde nieuwsgierigheid maar ook uit maatschappelijke betrokkenheid.’

Tandenborstel
Op de kritiek dat zijn vakgebied vooral theoretische oplossingen bood, had De Wit een duidelijk weerwoord. De theoretische teeltkunde is volgens hem een kwantitatieve benadering van landbouwkundige problemen die steunt op een ruim gebruik van basiskennis, experimentele resultaten en computersimulaties. ‘De biologische wetenschappen zijn te ingewikkeld om droog te zwemmen en je conclusies louter en alleen van je computerprogramma’s af te laten hangen’, aldus De Wit.
Naast een aantal eredoctoraten ontving De Wit in 1984 de Wolf Prize in Agriculture, de hoogste onderscheiding die de landbouwwetenschappen kent. Dat een van de onderzoekscholen zijn naam draagt is een passend eerbetoon. De Wit had in 1990 als emeritus-hoogleraar zitting in de commissie die adviseerde de onderzoekscholen te vormen om landelijk thematische samenwerking tussen wetenschappers te bevorderen.
De Wit wordt nog vaak aangehaald omdat hij dingen recht voor zijn raap zei. Het meest berucht zijn zijn uitspraken over alternatieve landbouw of extensivering, fenomenen waar hij niets van moest hebben. ‘Als heel Nederland auto rijdt, dan kun je niet verwachten dat een boer zelf zijn ploeg gaat trekken.’ En: ‘Natuurlijk heeft iedereen het recht zijn huis te verven met een tandenborstel.’

Lydia Wubbenhorst en Gert van Maanen

Links:
Entomoloog De Wilde is grootste (Wb 37, 16 december 2004)
De Wilde internationaal bewonderd (Wb 37, 16 december 2004)
Redactioneel: Grootste Wageninger (Wb 37, 16 december 2004)
Jury nomineert tien Grote Wageningers (Wb 29, 7 oktober 2004)

Louise Fresco
Jo Hautvast
Evert Willem Hofstee †
Maarten Koornneef
Rommert Politiek
Bernard Slicher van Bath †
Mien Visser †,
Egbert de Vries †
Jan de Wilde †
Cees de Wit †

Re:ageer