Organisatie - 7 juni 2007

Nieuwe wortels in de praktijk

Bundeling in Wageningen en Lelystad. Dat was het toekomstscenario dat het ministerie van LNV eind jaren negentig bedacht voor het praktijkonderzoek van Wageningen UR. Acht jaar later is duidelijk dat de traditionele proefboerderij inderdaad haar tijd heeft gehad, maar dat banden met de praktijk desondanks onmisbaar zijn. Het proefstation is dood, lang leve het regionale kenniscentrum.

53_achtergrond0.jpg
Achteraf bekeken lijkt het een vreemde onderneming. Onder zware druk van het ministerie van LNV snijden de regionale praktijkcentra voor landbouwkundig onderzoek rond 1999 hun stevige banden met de sectoren door, en haken aan bij Wageningen UR. Vervolgens kort het ministerie fors op de financiering, en besluiten ook de productschappen minder geld af te dragen voor het praktijkonderzoek. De centra stellen daarop alles in het werk om de banden met de sector en het regionale bedrijfsleven weer aan te halen. Een sector die nog met een kater rondloopt en daarom soms een afwachtende houding aanneemt, want ‘jullie wisten toch zo goed hoe het beter moest?’
Ton van Scheppingen, de huidige directeur bedrijfsvoering van de Plant Sciences Group, heeft het van nabij meegemaakt. Eerst als afdelingshoofd bij Praktijkonderzoek Veehouderij en daarna als directeur van de businessunit Akkerbouw, Groene ruimte en Vollegrondsgroenten (AGV) van het Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (PPO). ‘Een schoonheidsprijs verdient het niet, maar er viel toen gewoon niet aan te ontkomen. LNV wilde meer sturing, meer samenwerking in het onderzoek. In Den Haag zagen ze al die proefboerderijen verspreid over het land en dachten: Nederland is klein, waarom zitten die niet bij elkaar in Wageningen of Lelystad? Ze realiseerden zich gewoon niet dat het heel wat uitmaakt of je een melkveebedrijf hebt in het veenweidegebied of op zandgrond’, aldus Van Scheppingen.

Cultuurverandering
Het heeft volgens hem niet zoveel zin om daar uitgebreid op terug te kijken. ‘Er moest natuurlijk wel iets gebeuren. Als we op dezelfde weg waren doorgegaan hadden de praktijkcentra wellicht één voor één de deuren moeten sluiten. Voor de medewerkers betekende het wel dat ze een dubbelslag moesten maken. Ze moesten de omslag maken van een taakorganisatie naar een marktorganisatie, én integreren binnen Wageningen UR.’
Van Scheppingen schat dat voor zo’n complex proces, dat in 2000 begon, minstens tien jaar staat. ‘Die tijd heb je nodig voor een cultuurverandering is doorgedrongen in de haarvaten van een organisatie. We kunnen nu nog geen echte afrekening maken, maar je ziet wel dat alles begint met mensen die kansen zien en niet terugschrikken voor belemmeringen.’
Het voortbestaan van praktijkcentra en proefboerderijen is al lang niet meer vanzelfsprekend. De afgelopen jaren is een aantal kopje onder gegaan, stilgelegd of samengevoegd. Zo zijn de restanten van het voormalige proefstation voor de champignoncultuur uit het Limburgs Horst vorig jaar opgenomen in Plant Research International. De proefstations voor bloemisterij en glasgroente in Aalsmeer en Naaldwijk werden ternauwernood gered door samenvoeging tot een nieuw centrum voor de glastuinbouw in Bleiswijk. Het proefbedrijf De Noord van PPO in St. Maartensbrug sloot vorig jaar de deuren en recent stierven het Lagekostenbedrijf en het Hightechbedrijf voor melkvee in Lelystad een stille dood.
Voor het sluiten van de laatste twee bedrijven heeft Paul Vriesekoop, directeur Veehouderij van de Animal Sciences Group, een simpele verklaring: de onderzoeksprojecten op de bedrijven liepen af en het is niet gelukt nieuwe projecten binnen te halen. ‘Er wordt minder onderzoek uitgezet door LNV en de productschappen. We bezinnen ons al een tijdje op de vraag waar nu wel markt ligt voor het praktijkonderzoek. Waar zit het lek en welke nieuwe rol kunnen we wel spelen? Stilzitten is de slechtste strategie’, aldus Vriesekoop.

Kenniscentra
Praktijkcentra Wageningen UR Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (PPO): -Vredepeel (110 hectare zand) -Westmaas (78 ha zeeklei) -Marwijksoord (60 ha zand) -Valthermond (104 ha dalgrond) -Nagele (110 ha zavel/klei) -Lelystad (700 ha klei) -Randwijk (15 ha klei, fruit) -Lisse (8 ha zand, bollen en bomen) -Noordbroek (4 ha veen/zand, bollen en bomen) -Bleiswijk (6 ha, glastuinbouw)   Animal Sciences Group (ASG): -Heino (Aver Heino, 110 ha, biologische melkveehouderij) -Hengelo (De Marke, 55 ha, melkveehouderij en milieu) -Goutum (Nij Bosma Zathe, 100 ha, melkveehouderij) -Lelystad (Waiboerhoeve, 264 ha, melkveehouderij) -Raalte (6 ha, biologische varkenshouderij) -Lelystad (1 ha, Het Spelderholt, pluimveehouderij) -Sterksel (2 ha, varkenshouderij) -Zegveld (60 ha, veehouderij/veenweidegebied)
Eén van de oplossingen ziet Vriesekoop in de vorming van regionale kenniscentra. ‘Weer optrekken met direct belanghebbenden in de regio, met ondernemers, onderwijsinstellingen, en standsorganisaties. Voor ons is het belangrijk om kort op de ondernemers te zitten zodat we weten wat er leeft op de bedrijven’, vindt Vriesekoop.
De sector is zelf ook bang dat er regionaal gaten in de kennis gaan vallen, zo ontdekte Vriesekoop. Toen het onderzoek op het proefbedrijf voor de melkveehouderij in het Brabantse Cranendonck op een laag pitje werd gezet, vroeg de regionale standsorganisatie ZLTO hem of er geen doorstart mogelijk was.
Dat leidde uiteindelijk tot het plan om samen met ZLTO, bedrijfsleven en onderwijsinstellingen in Chijnsgoed een nieuw regionaal kenniscentrum te realiseren, als opvolger van Cranendonck en het praktijkcentrum voor de varkenshouderij in Sterksel. Door te kiezen voor een joint venture wordt de samenwerking in zo’n kenniscentrum minder vrijblijvend en dat ziet Vriesekoop als een belangrijk voordeel. ‘Als je er iets van wilt maken moet je samen de schouders eronder zetten. Het moet meer zijn dan gezellig samen om tafel te zitten. Je moet ook bereid zijn te investeren.’ Zo’n regionaal kenniscentrum moet volgens Vriesekoop vooral een plek worden waar onderzoek, onderwijs en ondernemers elkaar ontmoeten.
Ook Van Scheppingen erkent het belang van stevige banden met het regionale bedrijfsleven en onderwijs. Essentieel is volgens hem dat onderzoekers creatief worden, gaan bewegen. ‘Gewoon dingen gaan doen. Je neus stoten is niet erg. Als je tien keer schiet mag het best een paar keer mis zijn. Zeven keer raak is al mooi.’
Het onderwijs is een van de nieuwe markten die het praktijkonderzoek nu begint aan te boren. Op veel agrarische opleidingscentra (AOC’s ) kampen de docenten met een tekort aan praktische landbouwkennis waar de praktijkcentra goed op kunnen inspelen. Financiering is mogelijk doordat Den Haag en provincies flink inzetten op het hernieuwen van de verbinding tussen onderzoek en onderwijs. Zo wordt binnenkort op het proefbedrijf van PPO in Vredepeel een nieuw instructielokaal gebouwd in samenwerking met twee regionale AOC’s.

Stedelijk groen
Ernst van der Ende, manager bij PPO Fruit (Randwijk) en PPO Bollen en Bomen (Lisse/Noordbroek) ziet ook mogelijkheden voor samenwerking met AOC’s. ‘We zijn al betrokken bij de bijscholing van docenten en fungeren als leerbedrijf voor studenten. We overwegen bovendien AOC’s en veilingen een rol te geven in de acquisitie van ons onderzoek in regio’s waar wij nu niet zitten.’ Een andere groeimarkt heeft Van der Ende gevonden in het stedelijk groen, een tak die vroeger buiten de horizon viel. En andere praktijkcentra werpen zich op energieopwekking door bijvoorbeeld mestvergisting of op waterberging.
Volgens Van der Ende is de aard van het praktijkonderzoek totaal veranderd. ‘Het traditionele teeltonderzoek van de proefstations bestaat haast niet meer. Vrijwel alle projecten zijn nu multidisciplinair en ingebed in de hele bedrijfsvoering.’ In Randwijk wordt, ook ingegeven door de dreigende sluiting of verhuizing van het proefstation, door PPO Fruit nu al twee jaar met succes gewerkt met het concept van een regionaal kenniscentrum.
Voor het binnenhalen van onderzoek is het volgens Van der Ende vooral zaak vaak je gezicht in de sector te laten zien. ‘Daarmee hebben we een groot deel van onze positie teruggewonnen. De onderzoeker die alleen zijn werk binnen vier muren wil doen, past gewoon niet meer.’

Re:ageer