Wetenschap - 3 oktober 2002

Nieuwe directeur kenniseenheid Groene ruimte zoekt integratie

Nieuwe directeur kenniseenheid Groene ruimte zoekt integratie

'Laat men ons maar afrekenen op efficiency'

Prof. Wim van Vierssen is sinds juli de nieuwe directeur van de kenniseenheid Groene ruimte. Hij is geen onbekende in Wageningen. Zo werkte hij vanaf 1980 als aquatisch ecoloog bij de toenmalige vakgroep Natuurbeheer. Tot voor kort was Van Vierssen rector bij onderwijsinstituut IHE Delft, dat internationale studenten en promovendi onderwijs en trainingen biedt in waterbeheer.

In zijn werkkamer lijkt Van Vierssen al aardig gewend. Hij komt losjes over - 'zeg maar je' - maar beantwoordt de vragen bedachtzaam en analytisch. Een man die zijn idee?n op een rijtje heeft.

Gaat u onderzoek naar internationaal waterbeheer stimuleren in Wageningen?

"Ik wil echt niet de Mister Water van Wageningen worden, en ik zal wie zich ermee bezighoudt zeker niet in de weg lopen. Maar ik denk wel dat we hier de kennis hebben, zowel vakinhoudelijk als toegepast, om die ook elders in te zetten. Nederland is een pressure cooker. Er gebeurt veel, op een kleine oppervlakte, en met veel mensen. Daardoor ervaar je heel snel de marges van wat mogelijk is.

Als je bijvoorbeeld opnieuw het landschap moet uitvinden, omdat de landbouw minder invloed krijgt, dan kan dat niet zomaar. Je moet letterlijk de boer op, je moet weten wat er leeft, waar de marges liggen. Je moet vanaf de tekentafel het land in. Dat is ook mijn ervaring in de derde wereld. Er is zo veel bedacht voor de derde wereld zonder die derde wereld erbij te betrekken. Kijk maar naar alle dammen die er zijn gebouwd.

Goede oplossingen zijn altijd taylor made."

Uw voorganger dr Andr? van der Zande was ook graag inhoudelijk betrokken. Hoe zit dat bij u?

"Ik zal zeker meediscussi?ren. Ik publiceer nog tot op de dag van vandaag, ik vind schrijven ook gewoon leuk, maar ik denk dat dat nu wel gepiept is. Je kunt je vak niet meer bijhouden zoals vroeger. Maar je moet wel blijven lezen."

Hoe wilt u de vele onderdelen van de kenniseenheid omsmeden tot een eenheid?

"Die discussie is eigenlijk grotendeels voor mijn tijd gevoerd. Groene ruimte is een heel pregnant beleidsthema. Het is een domein waarvoor het heel goed mogelijk is een integrale visie te ontwikkelen met daarin zowel de wetenschappelijke vernieuwing als de maatschappelijke toepassing. En daar overheen de studenten. Die vormen onze verbinding met de toekomst. Zij geven je over tien jaar weer de vragen uit de samenleving.

Studenten moeten ondergedompeld worden in de professionele cultuur. De beste idee?n worden nog altijd geboren aan de koffietafel. Studenten horen daar middenin te zitten. Ze pikken heel veel op zonder dat je ze het allemaal hoeft te vertellen. Heel veel kennis is impliciet, daarvoor is contact nodig. Dat betekent ook dat je bij elkaar moet zitten. Bouwen moet dan ook zo snel mogelijk gebeuren. Dat heeft wat mij betreft de absolute prioriteit. De vorming van de centra moet niet worden uitgesteld omdat er getalmd wordt met bouwen."

De samenwerking binnen de kenniseenheid zal organisatorisch vooral plaatsvinden in de vijf onderzoekcentra voor ecosystemen, water en klimaat, bodem, landschap, en geoinformatie. Hoe staat het daar mee?

"De centra zijn bijna een feit. Het Centrum voor Geoinformatie draait al enige tijd. Die vijfdeling is al voor negentig procent uitgekristalliseerd. Er moet bijvoorbeeld nog een aantal punten besproken worden met de ondernemingsraad. Per 1 januari 2003 wil ik graag dat de centra operationeel zijn."

Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) is veruit de grootste klant van de kenniseenheid. Dat wordt door velen als een probleem gezien omdat je als universiteit, maar ook als onderzoekinstituut, de zweem van afhankelijkheid met je draagt. Hoe staat u daartegenover?

"Voor de complexe problemen die we als kenniseenheid onderzoeken heb je een kennissysteem nodig, waarin ook het ministerie van LNV een rol speelt. Ik heb bewondering voor de manier waarop hier complexe vragen op integrale wijze aangepakt worden. De aanpak is gebaseerd op een combinatie van modellen, contacten met de gebruikers van de groene ruimte en moderne wetenschappelijke inzichten.

Die integrale benadering kun je best uit elkaar pluizen, maar ik ben er niet van overtuigd dat dat een beter product oplevert. Dan heb je mensen die zich met de sociaal-economische problemen bezighouden, mensen die kijken naar de natuur, mensen die kijken naar het milieu, en in Den Haag zit een heer die het allemaal weer aan elkaar lijmt.

Bovendien wordt binnen LNV nu veel meer integraal gedacht dan vroeger. Het ministerie heeft een grote invloed op het gebied van dat andere ministerie: ruimtelijke ordening. Die invloed gaat ver voorbij het landbouwsysteem. LNV heeft dus een breed mandaat, en ze gaan over ons expertisedomein. Als je de kenniseenheid ziet als kennisinfrastructuur is het van belang daar zuinig op te zijn. Er zit zoveel gecumuleerde energie in dat het kapitaalverlies zou zijn als je zoiets zou atomiseren."

Wat als LNV verder bezuinigt op onderzoek?

"We moeten niet te angstig gillen voordat er brand is. Laat men ons maar afrekenen op efficiency en effectiviteit, dan heb ik daar wel vertrouwen in. Wat blijft is dat het altijd beter moet. Het blijft een eindeloos gevecht om hogere kwaliteitseisen.

Het is zoals de voorzitter van de raad van bestuur van Wageningen UR, prof. Aalt Dijkhuizen, zegt: 'niet klagen'?

"Internationaal gezien is het klimaat in Nederland niet wetenschapsvriendelijk. In OESO-verband lopen we bepaald niet voorop wat betreft bestedingen voor de wetenschap. Maar klagen helpt niet zoveel. Zelfvertrouwen, daar gaat het om, woekeren met de middelen die je hebt. Je kunt er zo veel mee doen."

Martin Woestenburg, foto Guy Ackermans

Re:ageer