Wetenschap - 1 januari 1970

Nieuw instituut voor tuinbouw in Kenia

Keniaanse universiteiten gaan samen met lokale tuinbouwbedrijven een trainingsinstituut opzetten dat managers in de tuinbouw moet gaan opleiden. Het LEI en het Internationaal Agrarisch Centrum (IAC) brachten de partijen bij elkaar die aan het instituut gaan meewerken.

Wie er op let, vindt in bijna elke Nederlandse supermarkt boontjes of sugarsnaps uit Kenia. Ze komen deels van grootschalige bedrijven van buitenlandse – vaak Nederlandse – investeerders. Maar ook veel kleine Keniaanse boeren hebben naast voedselgewassen een halve hectare met chilipepers, passievrucht, sperzieboontjes of bloemen. Ze leveren die via grotere telers aan onder andere Nederlandse importeurs. In opdracht van de Nederlandse ministeries van landbouw en ontwikkelingssamenwerking werkt het LEI aan verbetering van de samenwerking tussen grote producenten, vakbonden en kleine boeren in de tuinbouw.
Doel is samen de problemen te identificeren en projecten te formuleren om die problemen op te lossen, vertelt ir. Andre de Jager van het LEI. Een van die problemen is bijvoorbeeld het gebrek aan goed opgeleide lokale managers van middelgrote tuinbouwbedrijven. Om die te gaan opleiden gaan Keniaanse universiteiten nu samen met de Keniaanse tuinbouwsector een trainingsinstituut opzetten. De universiteiten leveren de infrastructuur en het bedrijfsleven krijgt voldoende te zeggen over het curriculum, zegt De Jager.
Een ander probleem in de bloementeelt is de eenzijdigheid van de teelt. Rozen domineren de bloementeelt. En rozenteelt is vooral in handen van grootschalige producenten omdat rozen nogal wat investeringen vereisen. Om ook kleine producenten een kans te geven experimenteert een Nederlandse importeur nu met de teelt van veldbloemen door kleine boeren rondom een grote teler. Ook dit project wordt door De Jager begeleid. Hij gaat nu ook in de buurlanden Tanzania en Oeganda op zoek naar soortgelijke mogelijkheden. JT

Re:ageer