Wetenschap - 1 januari 1970

Nieuw bestuurlijk centralisme bedreigt kenniseenheden

Bijna vijf jaar lang gaf prof. Hans de Vries vanuit Lelystad leiding aan de dierwetenschappers van achtereenvolgens ID-DLO, ID-Lelystad, de kenniseenheid Dier en de Animal Sciences Group. Eind deze week neemt hij om gezondheidsredenen vervroegd afscheid. Hij is graag bereid nog eens uit te leggen waarom de afstand Wageningen-Lelystad groter lijkt dan Lelystad-Wageningen, waarom de fusie met de Utrechtse faculteit Dierwetenschappen er uiteindelijk wel zal komen en waarom onderzoekers vooral moeten gaan skaten.

,,Een harde bestuurder? Dat imago achtervolgt mij omdat ik al heel snel na mijn komst naar Lelystad pijnlijk heb moeten ingrijpen om de organisatie weer financieel gezond te krijgen. Nee, ik vind mijzelf vooral een duidelijke bestuurder. Ik kom misschien wel eens hard over, maar kan best tegen een weerwoord. Als mijn motieven niet deugen, dan haak je me maar pootje.’’ Prof. Hans de Vries (59), tot begin deze maand algemeen directeur van de Animal Sciences Group, kijkt vanuit zijn woonkamer uit over op zijn ruime tuin in de buitenwijk Jagersveld van Lelystad. Een rustige, beminnelijke man die in niets doet denken aan een gevreesd bestuurder.
De Vries steekt een sigaar op – ‘ik heb me heilig voorgenomen om te stoppen’ – en kijkt naar de miniatuur skatebaan die aan zijn voeten ligt: ,,Een kado van de directiestaf.’’ Skaten blijkt vreemd genoeg een van de favoriete gespreksonderwerpen van de directeur die vanwege slechte gezondheid (‘mijn longfunctie kan aanzienlijk beter’) begin dit jaar zijn aftreden bekendmaakte. Skaten staat voor hem symbool voor de kennisuitwisseling die mogelijk is geworden dankzij de vorming van de kenniseenheden. ,,We kunnen nu over de volle breedte skaten, van fundamenteel onderzoek tot praktijkonderzoek. Dat helpt geweldig, je kunt pas de meest fantastische figuren maken als je eerst een paar keer heen en weer kunt gaan. Leren skaten is onze strategische doelstelling nummer één.’’

Animositeit
Bijna vijf jaar geleden maakte De Vries de overstap van de Utrechtse faculteit Diergeneeskunde naar ID-Lelystad, waar destijds ook al het visserijonderzoek in IJmuiden onder viel. Met zijn benoeming tot algemeen directeur van de kenniseenheid Dier (nu: Animal Sciences Group) in het najaar van 2001 kwam daar de verantwoordelijkheid bij voor het Praktijkonderzoek Veehouderij en het Wageningse departement Dierwetenschappen. Hij lijkt als geen ander in de gelegenheid om de cultuurverschillen tussen de Utrecht, Lelystad en Wageningen te beoordelen. ,,Natuurlijk zijn er cultuurverschillen en is wel er sprake van enige animositeit, maar dat is allemaal niet zo interessant. Feit is dat we elkaar veel te vertellen hebben en dat het dwaas zou zijn om geen goede contacten te hebben’’. Het afketsen van de interfaculteit, de beoogde bestuurlijke fusie tussen het departement Dierwetenschappen en de faculteit Diergeneeskunde, ziet De Vries nog steeds als een van zijn grootste nederlagen. ,,Dat is toen vastgelopen op wat we maar koudwatervrees zullen noemen. Wageningen UR was er blijkbaar bestuurlijk nog niet rijp voor. We hebben nu wat lager ingestoken, maar dat betekent niet dat de ambitie weg is. De interfaculteit blijft namelijk een verschrikkelijk goed idee’’, aldus De Vries. Een nauwere samenwerking tussen Wageningen en Utrecht is volgens hem zelfs onontkoombaar. ,,Het zou pas echt slecht zijn als het er niet van zou komen.’’
Vrees voor Utrechtse dominantie is volgens De Vries niet nodig: ,,Bij de Animal Sciences Group werken 1200 mensen en bij de faculteit Diergeneeskunde 900, het machtsevenwicht is nagenoeg fifty-fifty’’.
De Vries maakt zich meer zorgen over de bestuurlijke wind die momenteel vanuit Wageningen lijkt te waaien. ,,Onder Veerman was de lijn heel duidelijk ‘decentraal, tenzij’, maar nu zie je toch steeds meer tekenen van een centralistische aanpak. Ik heb er geen bezwaar tegen om Wageningen UR nadrukkelijker te profileren, maar dat moet niet ten koste gaan van de verscheidenheid en differentiatie op de werkvloer. Als alles hetzelfde moet zijn dan ondergraaf je de basisgedachte onder de kenniseenheden’’, meent De Vries. Er zijn volgens hem echter krachten binnen Wageningen die de scheiding tussen de universiteit en DLO nadrukkelijk in stand willen houden. ,,Natuurlijk moeten we de eigenheid van de universiteit niet ontkennen, maar de tussenschotten en hobbels moeten we juist zoveel mogelijk opruimen. Om goed te skaten moet je de ruimte krijgen’’. De meerwaarde van de samenwerking in de kenniseenheden wordt volgens De Vries steeds duidelijker zichtbaar. ,,Als je ziet hoe de club in IJmuiden en de leerstoelgroep Visteelt en visserij elkaar gevonden hebben. Ze hadden elkaar natuurlijk ook veel te bieden, maar het is schitterend om te zien dat het er nu ook uitkomt’’.
Het praktijkonderzoek is volgens De Vries van groot belang om in contact te blijven met de sector. ,,Als je het contact met de boer verliest, wordt de skatebaan meteen een stuk smaller’’. Hij erkent dat de verhuizing van een deel van de regionale praktijkcentra naar Lelystad achteraf bezien onverstandig is geweest. ,,Uit bedrijfseconomische overwegingen leek dat een goed idee, maar ik moet toegeven dat we de regionale functie voor Rosmalen en Maartensdijk hebben onderschat. We zullen zuinig moeten zijn op de regionale praktijkcentra die we nog hebben. We zullen in de regio partners moeten zien te vinden die er in willen stappen. Draagvlak alleen is niet genoeg, we hebben commitment nodig. Uiteindelijk moet de portemonnee getrokken worden.’’

Saamhorigheidsgevoel
De Vries heeft geen spijt dat hij de bestuurlijke verhoudingen bij het departement in Wageningen flink heeft opgeschud. ,,In Wageningen werd nog het model van het vakgroepsbestuur gehanteerd, waarbij zo’n beetje iedereen zijn zegje kon doen. Ik heb nadrukkelijk voor een lijnorganisatie gekozen. Wat ik mijzelf wel kwalijk neem is dat het te lang geduurd heeft. Als het oude systeem niet meer geldt, moet hoogleraren wel het vertrouwen kunnen hebben dat de nieuwe systemen functioneren. Dat hebben we niet goed gedaan’’. Dit verklaart volgens hem ook voor een deel waarom de afstand Wageningen-Lelystad als groter ervaren wordt dan Lelystad-Wageningen.
De Animal Sciences Group lijkt er financieel goed voor te staan, maar volgens De Vries is een waarschuwing toch op zijn plaats. ,,De echte omslag naar een marktgerichte organisatie is nog lang niet afgerond. De instelling van ‘ons kostje is gekocht’ naar ‘hoe krijg ik morgen brood op de plank’ is nog niet overal gemaakt. Zolang onze onderzoekers nog zeggen ‘de klant snapt het niet’, zijn we er nog niet’’. Hij erkent ook volmondig dat de gunstige omzetcijfers voor een belangrijk deel te danken zijn aan de dierziekten die Nederland hebben geteisterd. ,,Het zou flauw zijn dat te ontkennen. Een ziekte-uitbraak is ook ontzettend goed voor de teamgeest en het saamhorigheidsgevoel. Op de lange termijn vormt het echt ook voor ons een bedreiging. De sector loopt immers grote klappen op en kan minder in onderzoek investeren’’.
De Vries heeft al vrij duidelijk voor ogen staan wat hij met zijn recent verworven vrije tijd gaat doen: jagen en zeilen. Volgende week krijgt hij een nieuwe metgezel, een jonge Tsjechische draadhaar (Cesky Fousek), die hij als jachthond zal gaan opleiden. ,,We gaan vooral jagen op klein wild, hazen en konijnen. De kans dat er ook een fazant bij zit, is niet erg groot. De vos vormt hier een ware plaag en richt veel schade aan onder de vogelstand, maar daar mogen we dankzij de succesvolle anti-jachtlobby helaas niet op jagen’’.

Gert van Maanen

Re:ageer