Wetenschap - 1 januari 1970

Niemand had een helder beeld van een duurzame bollenteelt

Niemand had een helder beeld van een duurzame bollenteelt

Niemand had een helder beeld van een duurzame bollenteelt

Hoe krijg je een vastgelopen discussie tussen telers en milieu-activisten weer vlot? Het Bollenoverleg slaagde hierin. De Wetenschapswinkel begeleidde het proces, en Wageningse teeltkundigen berekenden wat bepaalde milieumaatregelen voor het inkomen van de bollentelers zouden betekenen. Een vervolgproject krijgt nu steun van het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in Lisse


De bollensector scoort nog steeds slecht op het gebied van milieu (zie kader hieronder). Maar anders dan tien jaar geleden is een deel van de bollentelers er inmiddels van doordrongen dat ze minder moeten vervuilen. Tegelijkertijd weet de milieubeweging dat de bollentelers wel een inkomen moeten houden. Deze inzichten lijken nu voor de hand te liggen. Begin jaren negentig was dat niet het geval

In 1991 bereikten de verhouding tussen milieubeweging en bollentelers een dieptepunt, toen de Noord- en Zuid-Hollandse milieufederatie de wereldpers haalde met een persbericht over de gifbol. Het werd tijd voor overleg, vonden de bollentelers. Jonge bollentelers en milieuorganisaties startten daarop het Bollenoverleg. Maar ook hier bleven de meningen lijnrecht tegenover elkaar staan. De milieubeweging wilde een bollenteelt zonder bestrijdingsmiddelen. Volgens de bollentelers kon dat niet. Het overleg bleef steken in een welles-nietes-discussie die geen millimeter opschoof. Een onafhankelijk advies was nodig over wat nou wel en wat niet mogelijk is in de bollenteelt

De Wetenschapswinkel bleek die onafhankelijke rol uitstekend te kunnen vervullen, samen met de toenmalige vakgroep Theoretische Productie Ecologie (TPE) en het Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek (AB-DLO). De Wetenschapswinkel rafelde de adviesvraag uiteen in twee componenten. Er was een onderzoeksvraag: hoe is de bollenteelt milieuvriendelijker te maken? En er lag het meer fundamentele probleem dat de beide partijen niet met elkaar konden discussiëren. Het Bollenoverleg had bijvoorbeeld nooit gepraat over de randvoorwaarden voor een milieuvriendelijker bollenteelt

Versmalling

Maria Litjens, medewerker van de Wetenschapswinkel: Ik ontdekte al snel dat niemand een helder beeld had van de minimale eisen waar een duurzame bollenteelt aan moet voldoen. Een groep moet die visie altijd zelf ontwikkelen, dat kan een onderzoeker niet voor ze doen. Litjens ruimde daarom in het voorstel tijd in voor discussie tussen Bollenoverleg en onderzoekers

TPE en het AB-DLO gingen met de onderzoeksvraag aan de slag. Dr ir Walter Rossing, een van de onderzoekers van TPE: De Wetenschapswinkel kwam fantastisch op tijd. Wij hadden een methode voor het ontwerpen van duurzame bedrijfssystemen en die wilden we op een praktijksituatie toepassen.

Eerst moest het Bollenoverleg criteria formuleren voor een duurzame bollenteelt. Het overleg kwam uit op het brutobedrijfsinkomen, de gemiddelde inzet van bestrijdingsmiddelen in kilogram actieve stof per hectare en het gemiddelde stikstofoverschot per hectare. Deze criteria stopten de onderzoekers in hun model. Dat betekende wel een zekere versmalling. Zaken als giftigheid van een bestrijdingsmiddel, energiegebruik en natuur deden niet mee

Verder hadden de onderzoekers geen kaas gegeten van de bollenteelt zelf. Voor de benodigde kennis over de gewassen en teelttechnieken klopten ze aan bij het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek (LBO). Ook deze gegevens gingen in het model

Nu konden de onderzoekers met het model een groot aantal bedrijfssystemen verkennen met objectieve kengetallen. Zo konden ze bekijken wat er gebeurde met het inkomen, een belangrijk item voor de bollentelers, bij een minimale gewasbescherming, het item van milieubeschermers

Gewasrotatie

De onderzoekers kwamen tot opmerkelijke resultaten. Vermindering van het stikstofoverschot had bijvoorbeeld een groter inkomensverlies tot gevolg dan vermindering van de hoeveelheid bestrijdingsmiddelen. Daarnaast bleek meer milieuwinst te halen met verruiming van de gewasrotatie dan met het kiezen voor andere rassen. Zo'n ingrijpende verandering van het bedrijfssysteem hoeft niet ten koste te gaan van het inkomen. Omdat de teelt van alternatieve gewassen vaak minder intensief is dan bollenteelt, houden telers arbeidstijd over. Die kunnen ze gebruiken voor de teelt van bollen op gehuurde kleigrond

Het model legde ook de hiaten in kennis bloot. Zo was bekend dat bodemgebonden pathogenen van het ene gewas invloed hebben op de opbrengst van het volggewas. Maar wat er precies gebeurt, hoe groot het effect is, en wat ertegen te doen is, is vaak nog niet duidelijk. De studie leerde ook welke technieken nodig zijn om gewenste doelen te bereiken. Om het stikstofoverschot te verkleinen is het handig om de stikstofefficiëntie te verhogen. Telers moeten daartoe kunstmest beter doseren, bijvoorbeeld door druppelirrigatie. Het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek onderzocht al wel technieken voor druppelirrigatie, maar deze waren ten tijde van het onderzoek nog niet in de handel

Het artikel dat uit het onderzoek voortvloeide, bleek rijp voor een prijs. Afgelopen najaar ontvingen de schrijvers de publicatieprijs 1997 van de C.T. de Wit Onderzoekschool voor Productie Ecologie, juist omdat het artikel theorie en praktijk zo goed bij elkaar bracht

Dialoog

Het onderzoek heeft niet alleen een wetenschappelijke prijs gekregen; het heeft ook zijn sporen achtergelaten in de sector. Aanvankelijk verliep de discussie tussen milieugroeperingen en bollentelers nog moeizaam. Maar inmiddels gaat het beter. Naast het Bollenoverleg is een nieuw project begonnen om de milieuvervuiling terug te dringen: Bollenteelt na 2000. Afgelopen najaar zijn bollentelers hiermee aan de slag gegaan

Bollenteler Martien van der Poel uit Noordwijkerhout, die het hele traject heeft meegemaakt, is tevreden over wat is bereikt. Twee jaar is veel te kort om een echte verandering in de praktijk te bereiken. Het onderzoek is natuurlijk ook heel theoretisch. Maar ons huidige project, Bollenteelt na 2000, is wel een voortzetting van de dialoog die we met het Bollenoverleg zijn begonnen. De start van het onderzoek was: Wat kan er in een computermodel? Nu kijken we naar wat er in de praktijk kan. Voor het vervolgproject Bollenteelt na 2000 is het fundamentele onderzoek van TPE en het AB-DLO niet meer nodig. Het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek gaat nu praktijkvragen beantwoorden zoals Als je een hyacint kopt om vuur te bestrijden, heb je dan meer of minder bestrijdingsmiddelen nodig?

Bij het beantwoorden van dit soort praktijkvragen blijken onderzoekers opnieuw een rol in de discussie te kunnen spelen. Bollenteler Van der Poel denkt dat er meer bestrijdingsmiddel nodig is als je hyacinten kopt. Hij denkt dat de wond gaat inrotten, waardoor er extra middel nodig is. Jan Eelco Jansma, werkzaam bij het LBO en vanaf het begin betrokken bij het bollenproject, nuanceert deze zienswijze. Onder vochtige omstandigheden is de wond die bij het koppen ontstaat inderdaad een makkelijke invalshoek voor bacteriën, en kan vuur toch weer de kop op steken. Dat geldt ook voor koppen terwijl je de bloem tussen de rijen laat liggen. Maar wanneer de teler kopt op het juiste moment en onder de juiste omstandigheden, kan hij wel middel besparen. Hieraan zie je dat de teler voor geïntegreerde bestrijding meer kennis, inzicht en ervaring nodig heeft dan wanneer hij alleen op maandag even hoeft te spuiten.

Re:ageer