Organisatie - 1 januari 1970

‘Nederland heeft een negatief imago in Brussel’

Nederland moet niet klagen over de Europese regels, maar zich er beter in verdiepen. Dat vindt Harry Kager, student Economie van landbouw en milieu. Als je het niet met de regels eens bent, had je moeten proberen ze te veranderen voordat ze werden goedgekeurd. Dat is werk voor lobbyisten. Kager leerde de afgelopen maanden tijdens een stage de kneepjes van het vak bij de vertegenwoordiging van land- en tuinbouworganisatie LTO in Brussel.

,,Veel Nederlanders weten niet wat lobbyen is. Ze denken dat je dat in achterkamertjes doet en vinden het haast een criminele activiteit. Daarom wordt het dus nooit wat met Nederlanders in Brussel. Lobbyen is namelijk een noodzakelijk onderdeel van het besluitvormingsproces. Dat komt omdat de Europese Commissie, die beleidsvoorstellen maakt, minder ambtenaren heeft dan de stad Rotterdam. De commissie schakelt, heel on-Nederlands, lobbyisten in voor advies. In Nederland wordt gedacht dat de overheid weet wat goed voor ons is, in Brussel is die insteek dus anders. Je ziet dat ook aan de manier waarop ik daar aan het werk ben gekomen. In Nederland sturen studenten een sollicitatiebrief aan een bedrijf of instelling, en verwachten dan dat het bedrijf die brief in behandeling neemt en ze uitnodigt voor een gesprek. Ik heb de afgelopen dagen ook geborreld en koffieafspraken gemaakt, om aan een baan te komen. Zo ben ik ook aan mijn stageplaats gekomen.
Lobbyen is vooral veel contacten hebben en mensen tegenkomen. Uiteindelijk zijn drie dingen belangrijk. Eén: schakel al het mogelijk in om te bereiken wat je wilt bereiken. Twee: sluit goede en leuke coalities. Je moet veel vriendjes maken. Zo onderhoudt LTO ook goede contacten met natuur-, milieu- en ontwikkelingsorganisaties. En drie: vertolk alles naar de achterban.
Dit betekent dat je bij het hele proces van de plannenmakerij moet zitten. Als er een dossier komt bel je dus een ambtenaar van de Europese Commissie om uit te zoeken wat de commissie wil op dat gebied. Als het je bevalt doe je niets. Als het niet bevalt ga je naar de media, schakel je bijvoorbeeld Wageningse onderzoekers in of stap je naar parlementariërs. Bij de waterrichtlijn concludeerde Alterra bijvoorbeeld dat die desastreus zou zijn voor Nederlandse boeren. Met dat dossier ga je naar de commissie. Omdat ze maar weinig ambtenaren hebben is dat voor hen vaak nieuwe informatie. Verder praat je met mensen op het ministerie van landbouw en met het overkoepelend orgaan van landbouworganisaties in de EU, de COPA.
Nederland heeft bij de EC trouwens een negatief imago door haar eigenzinnige ideeën. Als er een fietspad moet worden aangelegd gaan we eerst twee jaar in Nederland praten met alle mogelijke betrokkenen. Als we er dan samen zijn uitgekomen blijken er verdorie nog Europese regels te zijn en wordt Brussel gezien als de boosdoener. In Nederland stelt men vaak de eigen doelstellingen zeer scherp om die vervolgens weer te willen wijzigen als ze niet realistisch blijken. Maar als iets in Europees verband wordt afgesproken moeten alle lidstaten dat nakomen. Nederland zou de regels eens moeten lezen en leren kennen! Of, zoals een Belgische huisgenoot het verwoordde: ‘ze denken alles beter te weten’.
De verkiezingscampagnes voor het Europees Parlement waren ook typerend voor de manier waarop Nederland met de EU omgaat. In de campagnes ging het vooral over onderwerpen die niks met Europa te maken hebben. Bovendien worden Nederlanders continu verkeerd voorgelicht door de Tweede Kamer. Als op landbouwgebied iets lukt is dat dankzij de regering, als het mislukt komt dat door Brussel. Het is dus ook niet gek dat boeren denken dat het een zootje is in Brussel. Terwijl het landbouwbeleid al bijna helemaal uit Brussel komt. Veerman voert dit beleid alleen maar uit. En tot slot waren er op 1 mei overal in de Europese Unie feesten vanwege de uitbreiding van de Unie. Behalve in Nederland.’’
Yvonne de Hilster

Re:ageer