Wetenschap - 1 januari 1970

Nederland geen uitblinker in onderwijswereld

Nederland geen uitblinker in onderwijswereld

Nederland geen uitblinker in onderwijswereld


Het ziet er naar uit dat Nederland zijn ronkende ambitie om binnen de EU
een leidende economische positie in te nemen beter kan laten varen. In een
internationale onderwijsvergelijking scoort ons land op veel punten matig.

Uit het jaarlijkse rapport Education at a Glance van de OESO (Organisatie
voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) blijkt dat de uitgaven per
Nederlandse student van 1995 tot 2000 met slechts vier procent zijn
gestegen. Daarmee bleef de groei achter bij die van het bnp. Zodoende
daalden de totale uitgaven van 1,4 naar 1,2 procent van het bnp, het
internationale gemiddelde.
In tien landen stegen de uitgaven per student sneller; in Ierland en Spanje
het snelst, met respectievelijk 54 en 39 procent. Er zijn overigens maar
weinig landen waar de uitgaven per student in die periode wel harder
groeiden dan het bnp; IJsland en Turkije behoren tot de uitzonderingen.
Qua toegankelijkheid van het hoger onderwijs doet Nederland het met een
negende plaats niet bijzonder goed of slecht. Ruim de helft (54 procent)
van de jongeren begint hier aan een studie; hetzelfde percentage als in
1999. Evenals toen is de score onder vrouwen (58 procent) hoger dan die
onder mannen (51 procent). Opvallend is dat landen als Polen (67 procent,
vierde plaats) en Hongarije (56 procent, achtste) ons hierin voorgaan.
Nieuw-Zeeland lijkt het hoger onderwijsparadijs met 76 procent. Het
gemiddelde percentage in de OESO-landen is 47.
Ook met de internationalisering wil het nog niet zo vlotten. Nederland
scoort met een zestiende plaats laag voor wat betreft deelname van
buitenlandse studenten: slechts 3,3 procent van de studenten. Het gaat
vooral om Duitsers (0,63%) en Belgen (0,35%). Andersom zijn deze buurlanden
ook het meest in trek bij Nederlandse studenten die de grens over willen
(0,38 respectievelijk 0,52 procent). De vaak genoemde Chinezen maken nog
geen tiende procent (0,08%) uit van de totale studentenpopulatie.
Zwitserland spant de kroon met zeventien procent buitenlandse studenten.
Nederlandse studenten zijn op relatief jonge leeftijd klaar met studeren.
Volgt van de 15- tot 19-jarigen nog 79,6 procent een opleiding, onder de 20-
24-jarigen is dat gedaald naar 34,4 procent, om vervolgens te zakken naar
slechts 6,4 procent van de 25-29-jarigen. Ter vergelijking: in Finland is
maar liefst 29.8 procent van de 25-29-jarigen nog aan de studie.
Een forse 22,5 procent van de Nederlandse 20-24-jarigen die geen opleiding
volgt heeft geen diploma van het voortgezet onderwijs op zak. Daarmee zit
ons land met een twintigste plaats in de Europese achterhoede, ruim achter
Hongarije en Griekenland. In Noorwegen betreft het slechts 2,5 procent van
die groep. De Nederlandse ambitie om binnen de EU een leidende economische
positie in te nemen lijkt daarmee erg onwaarschijnlijk. Een hoog opgeleide
beroepsbevolking is immers een voorwaarde voor de kenniseconomie. |
HOP

Re:ageer