Organisatie - 4 juni 2009

NOOIT MEER RUZIE MET LENIE

Pensionerend professor Peter Reijnders (Imares) werd bekend door zijn zeehondenonderzoek. Hij zag de Nederlandse populaties in elkaar zakken en weer groeien, had aanvaringen met Lenie ’t Hart en ontdekte de invloed van pcb’s op de vruchtbaarheid. ‘Ik verwacht dat ik nog wel eens om advies gevraagd zal worden.’

achtergrond_0_218.jpg
‘Ik heb er wel even over gedacht, terug te gaan naar Limburg, Maar het eilandleven bevalt ons toch te goed. Door het toerisme is Texel soms erg druk, maar je hebt daardoor ook prima voorzieningen. Mijn vrouw en ik blijven in Den Burg wonen’, vertelt professor Peter Reijnders.
Op vrijdag 29 mei werd zijn pensionering ingeluid met een Koninklijke onderscheiding – Officier in de orde van Oranje-Nassau – en een afscheidssymposium, georganiseerd door mede-zeezoogdieronderzoekers uit binnen- en buitenland. Ondanks die officiële huldeblijken gaat Reijnders niet op zijn lauweren rusten. Zo heeft hij nog ruim drie jaar te gaan als buitengewoon hoogleraar bij Wageningen UR, waar hij vier aio’s onder zijn hoede heeft. Ook zal hij nog regelmatig te vinden zijn op zijn werkkamer bij Imares op Texel; de zeehondenschedel, het Inuit-snijwerk en de massa’s papier en rapporten hoeven niet mee naar huis.
‘Het is fijn dat ik hier kan blijven werken, voor de contacten, de bibliotheek en internet. Mijn werk aan walvissen en zeehonden is inmiddels overgenomen door een drietal opvolgers dat al een tijdje meedraait, maar ik verwacht dat ik nog wel eens om advies gevraagd zal worden’, aldus Reijnders. ‘Eindelijk krijg ik nu de tijd om literatuur en rapporten echt goed te lezen. Daarnaast is er nog een aantal vragen die me bezighouden. Imares adviseert over allerlei ingrepen in het zeemilieu, maar in de praktijk is het ontzettend moeilijk te voorspellen wat er op die ene plaats in die hele grote zee gebeurt, terwijl er zoveel andere variabelen zijn. Vaak heb je te maken met cumulatieve effecten op zeedieren: er is ook vervuiling, of verstoring elders. Ik wil nog eens goed nadenken hoe je dat in je overwegingen mee kunt nemen. Bovendien heb ik nog een project op stapel staan om uit te zoeken waarom de zeehonden in de Waddenzee steeds vroeger in het jaar jongen krijgen. Daar heb ik nu allemaal tijd voor. Dat hoop ik althans.’

PCB’S
Reijnders vestigde zijn wetenschappelijke naam met onderzoek aan zeehonden. Vanwege zijn deelname aan internationaal overleg over walvissen zij er ook andere zeezoogdieren in zijn portefeuille geslopen, ‘maar ik denk dat mijn publicatielijst voor 95 procent gericht is op zeehonden’. De basis daarvoor legde hij in de jaren zeventig. Reijnders onderzocht de tanende zeehondenpopulatie in de Waddenzee: er leefden toentertijd nog ongeveer zevenhonderd gewone zeehonden in het Nederlandse deel, en geen of nauwelijks grijze zeehonden. Mede door zijn beleidsaanbevelingen en beschermingsmaatregelen klom de populatie weer uit het dal. Inmiddels zwemmen er ongeveer 8500 gewone zeehonden in de Nederlandse wateren en zijn er bovendien bijna 1800 grijze zeehonden geteld.
Zijn grootste wetenschappelijke prestatie vindt hij echter de ontdekking, midden jaren tachtig, dat chloorkoolwaterstoffen, en dan vooral pcb’s, diep ingrijpen in de populatie-ecologie van de zeehonden. ‘Nog altijd is dat een van de weinige onderzoeken waaruit onomstotelijk een direct effect naar voren kwam van zeewaterverontreiniging. We verdiepten ons als eersten in de invloed van pcb’s op de endocrinologie. Daaruit kwam naar voren dat pcb’s invloed hebben op de innesteling van de bevruchte eicel in de baarmoeder, waardoor er te weinig jongen werden geboren. ‘Wetenschappelijk gezien was dat een mooi resultaat – met een publicatie in Nature als resultaat – maar misschien nog wel veel belangrijker is dat er daardoor een maatschappelijke bewustwording op gang kwam over het gebruik van deze stoffen die de hormoonhuishouding verstoren. Nog altijd is er veel aandacht voor de invloed van dergelijke stoffen op het zeeleven.’

ZEEHONDENCRÈCHE
Dat nu juist een Limburger in het zoute milieu terechtkwam, noemt Reijnders toeval. ‘Doordat mijn vader joeg, was ik wel al van jongs af aan geïnteresseerd in grote zoogdieren. In Wageningen deed ik een hoofdvak over schilschade door edelherten. Jan van Haaften vroeg me daarna of ik op Texel negen maanden onderzoek wilde doen naar zeehonden, omdat het daar zo slecht mee ging. Uiteindelijk mondde dat uit in een promotie. Qua populatie-ecologie maakt het niet zo gek veel uit of je je bezighoudt met herten of met zeehonden. Wel moest ik veel leren over het zeemilieu, maar gaandeweg raakte ik daardoor gefascineerd.’
Hoewel Reijnders goede contacten onderhield met maatschappelijk organisaties, zal de zeehondencrèche in Pieterburen waarschijnlijk niet rouwig zijn om diens afscheid. Reijnders kwam een aantal keren keihard in aanvaring met Lenie ’t Hart, hoewel hij ooit deel uitmaakte van de wetenschappelijke adviesraad van het opvangcentrum. ‘In de jaren tachtig was het zo slecht gesteld met de zeehonden dat het noodzakelijk was elk individu te redden, maar toen de populatie na de uitbraak van het zeehondenvirus weer flink groeide, vond ik dat we moesten ophouden zwakke, wellicht zieke dieren weer terug te brengen in de populatie. Dat was onbespreekbaar. Let wel: ik ben geen tegenstander van opvang. Die heeft een enorme educatieve meerwaarde; je kunt uitleg geven over het leven van de dieren, over het zeemilieu en over de bedreigingen. Als je zoals Ecomare een tiental zeehonden per jaar opvangt, dan zie ik daar absoluut geen probleem in, maar daar wil men in Pieterburen niet aan. Of Lenie ‘t Hart het fijn vindt dat ik wegga? Misschien wel, misschien ook niet. Daarmee vervalt voor haar ook een inspiratiebron.’ PETER REIJNDERS
Peter Reijnders (Siebengewald, 1944) studeerde in Wageningen bosbouw, met de nadruk op natuurbeheer en dierecologie. Hij werkt bij Imares sinds de oprichting van dit instituut in 2006. Daarvoor was hij vanaf 1973 werkzaam bij het Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN), dat later opging in het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN) en daarna in Alterra.
In 1980 promoveerde hij op de oorzaken van de achteruitgang van de gewone zeehond in de Waddenzee. Sinds 2007 is hij buitengewoon hoogleraar Ecologie en beheer van zeezoogdieren aan Wageningen Universiteit, en vanaf 2005 bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Kiel, Duitsland.

Re:ageer