Wetenschap - 26 september 2002

NB: Steden zijn machtspolitieke middelen van de heren

NB: Steden zijn machtspolitieke middelen van de heren

De basis voor de stedelijke samenleving in Nederland en Vlaanderen is in twee eeuwen gelegd. Tussen 1100 en 1300 ontstonden overal in de Lage Landen overal steden en stadjes. Reinout Rutte beschrijft in zijn boek Stedenpolitiek en stadsplanning in de Lage Landen hoe en waarom deze stedelijke expansie zich juist in die periode voor deed.

De eerste aanzetten tot verstedelijking voltrekken zich omstreeks 1120 in Vlaanderen. Brugge, Gent en Ieper groeide in de twaalfde eeuw uit tot handels- en nijverheidscentra van Europese betekenis, maar pas in 1160 was er volgens Rutte sprake van een echte stedenpolitiek en stadsplanning bij nieuwe steden aan de Vlaamse kust.

Nieuwpoort en Grevelingen groeiden vanaf 1160 in twintig tot dertig jaar zowel ruimtelijk als maatschappelijk uit tot volwaardige havensteden. Er werden straten, een markt en een haven aangelegd, en er ontwikkelde zich een ware stadsbevolking die zich zowel qua rechten en plichten als qua levensvoorziening van de bewoners van het omliggende land onderscheidde. Maar het meest bijzonder is volgens Rutte dat de heersende graven Diederik en Filips van de Elzas de nieuwe steden duidelijk zagen als een zowel politieke als economische machtsbasis. Ze voerden een ware stedenpolitiek en deden aan stadsplanning.

Dat beleid spreidde zich dankzij economische bloei verder uit over Brabant, waar steden als Brussel en Leuven zich ontwikkelden, en later 's-Hertogenbosch. In de dertiende eeuw volgde steden in het gravendom Gelre en het Sticht Utrecht, zoals Doetinchem, Lochem, Harderwijk, Goch, Gelder, en Wageningen, waar na 1263 een nieuwe nederzetting werd gebouwd met de naam Nieuw-Wageningen.

Volgens Rutte zijn er drie invloedssferen die bepalend zijn hoe de nieuwe steden zijn ontstaan. Er moest sprake zijn van economische bloei, er moest een stel ondernemende lieden zijn die in een centrum aan handel en nijverheid wilden verdienen, en er moest een heer - graaf, hertog, bisschop - zijn die de nieuwe stad zag als een zowel maatschappelijke, ruimtelijke als economische machtsbasis.

Machtspolitiek is volgens Rutte van doorslaggevend belang is voor de vorming van de steden. De heer is degene die als het ware met stedenpolitiek en stadsplanning de stad vormgeeft. De Vlaamse kuststeden werden door de graven Diederik van de Elzas en zijn zoon Filips vooral ingezet als financieel machtsmiddel tegen grotere, oudere steden in het achtergebied, door tol te heffen op handel aan de kust. De steden die de Brabantse graaf Hendrik I rond 1200 vormde waren vooral bedoeld om zijn landsheerlijkheid te vergroten en te verdedigen. Dat kwam onder meer doordat Brabant rond die tijd minder verstedelijkt was, waardoor de graaf en zijn hertogen hun gezag meer in het land moesten doorzetten.

Het fenomeen stedenpolitiek en stadsplanning verspreidde zich dus binnen twee eeuwen van het zuiden naar het noorden. Rutte beschrijft in veel detail hoe de verschillende heren elkaars machtspolitiek door machtsstrijd en door familiebanden van elkaar leerden doorgronden, waardoor ze langzamerhand allemaal de instrumenten van stedenpolitiek en stadsplanning in de vingers kregen.

Het aparte aan Ruttes onderzoek is dat hij niet alleen van schriftelijke en archeologische bronnen gebruik heeft gemaakt, maar dat hij ook heeft gekeken naar kaarten om te zien hoe de verschillende steden zich ontwikkelden. Alhoewel de vormen van de steden veel verschilden, zijn de elementen waaruit ze zijn opgebouwd dezelfde: een markt, een kerk, een omwalling. In de planning kwamen die elementen telkens terug, maar een duidelijk stratenplan ontbrak vaak. De heren waren niet echt ge?nteresseerd in de specifieke vorm van de stad, maar in de werking ervan als instrument voor hun machtspolitiek. | M.W.

Reinout Rutte, Stedenpolitiek en stadsplanning in de Lage Landen (12de - 13de eeuw), Walburg Pers, ISBN 9057302039, 26,95 euro.

Re:ageer