Wetenschap - 7 november 2002

NB: Nederlandse snotolf misstaat niet tussen kleurrijke exoten

NB: Nederlandse snotolf misstaat niet tussen kleurrijke exoten

Het is toch merkwaardig hoe de liefde voor de natuur werkt. Op land maken we ons wel druk over aaibare dieren als de otter en de korenwolf, zelfs over de zeggekorfslak. Van de Nederlandse zeedieren wil eigenlijk alleen de zeehond ons wel bekoren. Over kokkels en mosselen maakt de natuurliefhebber in ons zich voornamelijk druk omdat die schelpdieren mooie vogels voeden. De lekkerbek ziet ze nog liever in de paella op zijn bord. Voor een kijkje in zee wandelen we het liefst door aquaria met felgekleurde exotische vissen.

Als je bladert door de nieuwe 'Veldgids flora en fauna van de zee' van Rob Leeuwis lijkt dat wel logisch. De meeste zeedieren zijn onooglijk, zoals het doorzichtbare Machospookkreeftje of het rozige Gorgelpijp-knotsslakje. Veel van de sliertige plantgroei die in de gids staat geportretteerd doet mij vooral denken aan die slierten die je langs je benen voelt aaien tijdens een dagje strand. Bovendien leeft het grootste deel van de fauna en flora van de zee onzichtbaar onder water.

Het is belangrijk te beseffen dat het grootste deel van de Nederlandse natuur zich aan ons blikveld onttrekt. Op de kaart van de Ecologische Hoofdstructuur staat in het noordwesten van Nederland een groot groen vlak ingetekend dat net zo groot is als het hele landdeel van Nederland. Een enorm natuurgebied dat eigenlijk nauwelijks in kaart is gebracht. Want als je de kaart goed zou tekenen, zou je ook op zee allerlei bedreigende rode en grijze lijnen en vlakken zien van infrastructuur en industrie, zoals vaarwegen, pijpleidingen, boortorens, enzovoorts. Om maar niet te spreken van de toekomstplannen voor vliegvelden, windmolenparken en nieuwe Maasvlaktes.

Volgens Leeuwis kun je de Nederlandse kustwateren makkelijk indelen. Je hebt de Zeeuwse deltawateren, die met de vele dijken, dammen, sluizen en havenwerken een beschut en extra zout leefgebied vormen voor een rijke verscheidenheid aan soorten. Dan is er de Hollandse kust met zijn zandstrand, waar voornamelijk dieren en planten leven die van zachte bodems houden. En dan hebben we nog de Noordzee, met het visrijke diepe water, en het internationale natuurgebied de Waddenzee, met zijn specifieke getijdenlandschap.

Een deel van het zeeleven is natuurlijk wel zichtbaar. Welke strandwandelaar kent niet de langwerpige schelpen van de Amerikaanse zwaardschede, de ovale schelpen van de tapijtschelp of het nonnetje, de dikke slierten van groot zeegras of de borstelige bosjes groenbruinig visdraad? Heel bekend zijn ook de oranjegele plakplaatjes op het basalt van de pieren. Dit gele dooiermos, een korstmos, doet het vooral zo goed omdat er veel ammoniak in de lucht zit.

Het boeiende aan de veldgids is niet dat wat we kennen, maar dat wat we vaak niet kennen. En dan zijn het vaak de prachtige onderwaterfoto's die het hem doen. Neem de slanke waaierslak bijvoorbeeld, een wittig doorzichtig slakje van twee centimeter met prachtige rode rugpapillen. Of de uitzonderlijk scherpe foto van de zeer spitse snuit van de geep, waarop je de vele vileine tandjes ziet zitten.

Zo wordt het Nederlandse zeeleven dankzij de 'Veldgids flora en fauna van de zee' voor mij in ieder geval minder onooglijk. De snotolf is daar het meest tekenende voorbeeld van. Het mannetje op de foto, met zijn bijna roze aandoende paarsoranje vinnen en lippen, misstaat helemaal niet tussen de kleurrijke exoten uit de aquaria. | M.W.

Rob Leeuwis, Veldgids flora en fauna van de zee, KNNV Uitgeverij, ISBN 905011153X, 27,95 euro.

Re:ageer