Wetenschap - 14 februari 2002

NB: Miljoenen trekvogels in duizenden teluren

NB: Miljoenen trekvogels in duizenden teluren

Elk voorjaar trekken tussen de 42 en 57 miljoen vogels over Nederland, elke zomer tien tot veertien miljoen, en elke herfst 98 tot 135 miljoen. Onwaarschijnlijke cijfers die vogeltrektellers op 121 telposten hebben kunnen vaststellen dankzij 67.000 teluren.

De gegevens die over de vogeltrek zijn verzameld, zijn nu vastgelegd in het boek Vogeltrek over Nederland. Basis voor het boek zijn de gegevens van de Landelijke Werkgroep Vogeltrektellingen van de Samenwerkende Organisaties Vogelonderzoek Nederland (Sovon). Sinds deze werkgroep in 1973 is opgericht, zijn vele telposten opgericht, en werken de vogeltrektellers op dezelfde manier. Daardoor zijn de resultaten vergelijkbaar, zodat het boek Vogeltrek over Nederland nu een landelijk dekkend overzicht kan bieden van de aantallen trekvogels, de periodes waarin de vogels trekken, op welke tijd van de dag ze dat doen en in welke richting ze vliegen.

Vogeltrek is voor vogelsoorten genetisch bepaald, ook de richtingbepaling. Een beroemd onderzoek toonde aan dat vogels in een geblindeerde kooi, dus zonder het normale dagritme en de mogelijkheid om zich te ori?nteren op de sterren, zich automatisch richten op het magnetische veld van de aarde. De vogeltrekgolven zijn dan ook heel consistent, maar zijn tegelijkertijd zo complex dat onderzoekers er geen grip op krijgen.

Vrijwilligerswerk blijkt ook hier de basis te zijn van ecologisch onderzoek. Vogeltrek over Nederland is het resultaat van tientallen jaren vrijwilligerswerk, met een verrekijker, een schrijfplankje en een thermosfles koffie. Voor die trektellers is een van de grootste sensaties het meemaken van zogenaamde 'irrupties', als vogels plotseling in groten getale Nederland overtrekken. De meest gedenkwaardige irruptie was in 1986, toen in drie golven mogelijk miljoenen barmsijzen over Nederland vlogen.

Maar hoe maak je nu harde cijfers van die trekgolven? Tellen alleen is al een probleem, schrijven de auteurs in de uitgebreide inleiding van het boek. Heggemussen trekken bijvoorbeeld vaak zo hoog langs Nederland dat ze lastig zijn te onderscheiden van de veel talrijkere vinken of graspiepers. Bovendien zijn zulke kleine vogels moeilijker te tellen dan grotere dieren als aalscholvers en buizerds. Het kan dus zijn dat een telpost meer aalscholvers dan barmsijzen telt.

Om zulke verschillen in tellingen uit te sluiten, maken de trektellers dankbaar gebruik van de statistiek. De auteurs van het boek leggen duidelijk uit hoe dat in zijn werk gaat, en dat is pittig ingewikkeld, want de hoeveelheid gegevens die je voor de statistieken nodig hebt, is vele malen groter dan de cijfers die de telposten opleveren. Er wordt onder andere gekeken naar de periode dat vogels over Nederland trekken, het aantal vogels per telpost, het aantal telposten per regio, het aantal vogels per kilometer breedte, het percentage vogels dat wordt waargenomen binnen honderd meter van de telpost, enzovoorts. Het is bijna adembenemend, maar alleen zo kan per regio - de Noordzeekust, Laag-Nederland, Midden-Nederland en Hoog-Nederland - worden bepaald hoeveel vogels overtrekken, en dan pas krijg je het cijfer voor heel Nederland.

Die cijfers staan heel overzichtelijk in de vele pagina's met soortbesprekingen. Neem bijvoorbeeld de barmsijs, met zijn irrupties. Die trekt vooral over de Noordzeekust en over Midden- en Hoog-Nederland. Na de enorme trek van barmsijzen in 1986 hebben ze alleen in 1988 nog wat activiteit laten zien, daarna bleef het rustig. Wellicht zit er dus nog een irruptie aan te komen, weer een sensatie voor al die vrijwilligers.

Martin Woestenburg

Vogeltrek over Nederland 1976-1993, Schuyt & Co, ISBN 9060975669, 40,80 euro.

Re:ageer