Wetenschap - 8 februari 2001

NB: Het ontstoffen van de volkscultuur

NB: Het ontstoffen van de volkscultuur

BOEK | Met het zeer degelijke boek met de simpele titel Volkscultuur pogen Nederlandse etnologen het oubollige en stoffige studeerkamerimago van de Nederlandse etnologie op te frissen. Sinds J.J. Voskuil in de zevendelige romancyclus Het bureau de werkzaamheden van Nederlands belangrijkste volkskundige onderzoekinstituut het Meertens Instituut op schlemielige wijze in beeld bracht, mag dat ook wel.

Volkskunde staat gelijk aan folklore, met Frau Antje, de tulp, de klederdracht, Giethoorn, Volendam, het Openluchtmuseum, molens, en andere parafernalia die erop zijn gericht vooral Japanners en Amerikanen in twee minuten duidelijk te maken waar Nederland voor staat. Of voor paasvuren, het halfvasten, Koninginnedag, of het nachtvrijen in Staphorst. Voor dingen en gebeurtenissen dus, die niet of nauwelijks veranderen.

In Volkscultuur pogen de auteurs de volkskunde juist in te bedden in het huidige, veranderlijke, multiculturele Nederlandse culturele leven, want daarin is veel aandacht voor regio's en hun regionale cultuur. Kijk maar naar het groeiend aantal popmusici die zingen in het Fries, Achterhoeks of Limburgs. Het boek is vooral een kans om inzicht te krijgen in de breedte van de Nederlandse volkscultuur, en de belangrijke rol die mensen daarin spelen. Dat oud-provo en uitvinder van de witkar Luud Schimmelpennink nu als verhalenverteller in de voetsporen treedt van de Friese sprookjesverteller Anders Bijma, bijvoorbeeld. Alleen zo ontstoft de volkscultuur. | M.W.

Ton Dekker, Herman Roodenburg en Gerard Rooijakkers (red.), Volkscultuur - Een inleiding in de Nederlandse etnologie, SUN, ISBN 92061686342, 49,50 gulden.

BOEK | Honderd jaar heeft de Nederlandse rijksoverheid via de Woningwet geprobeerd de Nederlander in lichtere, schonere en ruimere huizen te laten wonen. Rond 1900 woonden veel arbeidersfamilies in woningen van nog geen 32 vierkante meter, vaak twee kamers en een zoldertje om te slapen, eten, koken, wassen en lief te hebben. Qua ruimte de gemiddelde woonkamer van nu. Nu hebben mensen die in de lagere categorie huurwoningen wonen, een woonkamer van meer dan twintig vierkante meter, een slaapkamer van minimaal tien vierkante meter, een badkamer, toilet, keuken, en Jan des Bouvries op de televisie die hun vertelt hoe ze het moeten inrichten.

In het boek Honderd jaar wonen in Nederland 1900-2000 is te zien hoe wonen van noodzaak meer en meer een luxe werd. De argumenten om woningen te verruimen, lichter te maken, en om voor het koken, baden, toiletteren, slapen en wonen aparte ruimtes te maken, kwamen voor de Tweede Wereldoorlog vooral voort uit een volksopvoedkundige instelling om normen als hygi?ne, rust en discipline bij te brengen. Na de oorlog begon smaak een steeds belangrijkere rol te spelen.

Dat zie je als het belangrijkste meubel wordt ge?ntroduceerd, de televisie. De 'televisieterreur', zoals het mooi heet in het boek, werd met de radio en later de stereo-installatie geplaatst in wat interieurarchitect Patijn de 'ontspanningswand' noemde, een wandmeubel waar alles in paste, en die eventueel dicht kon - 'poppetje gezien, kastje dicht'. Een voorloper van de apparatenwooncultuur, met afwasmachine, koelkast, droger, enzovoorts, die sterk wordt doorgetrokken in de futuristische woningen. Voor elk karweitje is er een afstandsbediening - ook voor het geval dat Jan des Bouvries op de buis verschijnt. | M.W.

Jaap Huisman, Irene Cieraad, Karin Gaillard en Ron van Engelsdorp Gastelaars, Honderd jaar wonen in Nederland 1900-2000, Uitgeverij 010, ISBN 9064504148, 49,50 gulden.

Re:ageer