Wetenschap - 20 september 2001

NB: Het kritiekloos tentoonstellen van de wereld

NB: Het kritiekloos tentoonstellen van de wereld

Wereldsteden hebben weinig overgehouden aan wereldtentoonstellingen, ondanks het feit dat de tentoonstellingen bijna altijd de toekomst als onderwerp hadden. Parijs kreeg weliswaar zijn Eiffeltoren met de wereldtentoonstelling van 1900, maar van het enorme glazen Crystal Palace dat in 1851 door Joseph Paxton werd gebouwd voor de eerste wereldtentoonstelling in het Londense Hyde Park is alleen de naam nog over, en die hangt aan een voetbalstadion. En het beroemde Atomium uit 1958 roest in Brussel langzaam weg.

De wereldtentoonstelling staat in Nederland weer in de belangstelling sinds ons land zich vorig jaar in Hannover presenteerde met een wel heel opvallend gebouw, waarin architectenbureau MVRDV schijnbaar alle aspecten van de Nederlandse samenleving perste. In het kielzog van dit spektakel verschijnen nu twee boeken van Nederlanders die de didactische en de idealistische dimensies van de wereldtentoonstelling belichten. Pieter van Wesemael vertaalde zijn dissertatie uit 1997, Architectuur van instructie en vermaak, over de opvoedkundige aspecten van de wereldtentoonstellingen. Johanna Kint promoveerde dit jaar op de Expo 58 in Brussel, en beschouwde vooral de humanistische achtergrond daarvan.

Het idee voor wereldtentoonstellingen komt voort uit de Verlichtingsidealen die in 1798 bekrachtigd werden door de Franse Revolutie. De republikeinen wilden met het organiseren van verschillende Expositions publiques des produits de l'industrie Fran?aise in eerste instantie een stimulans geven aan de Franse economie en industri?le ontwikkeling.

De ambitie van de eerste echte wereldtentoonstelling, de Great Exhibition of the Works of Industry of all Nations uit 1851, was breder. De industri?le tentoonstellingen waren al een bron van kennis en inspiratie, dankzij internationale journalistieke inspanningen. De stap om een internationale tentoonstelling te maken, waarbij niet alleen kennis werd getoond maar ook uitgewisseld, was klein.

Kint toont in haar boek Expo 58 een heel andere wereld. Dertien jaar na de Tweede Wereldoorlog is de wereld in opbouw, maar de wereld is ook gespleten. De Expo 58 ademt dan ook een humanistisch-technologisch positivisme dat haaks staat op in die tijd verschijnende romans van cultuurpessimisten als Aldous Huxley en George Orwell. Het Atomium stond voor maakbaarheid en toekomst. De toen heersende koude oorlog hing echter zowel in idealistische als organisatorische zin als een zwarte schaduw over de tentoonstelling.

Van Wesemael heeft bijna zevenhonderd pagina's tekst en meer dan honderd pagina's noten nodig voor een zeer gedetailleerde geschiedenis van de oorspronkelijke, economisch getinte tentoonstellingen naar de huidige multimediale expo's ter lering ?n vermaak. Van Wesemael vraagt zich bij de laatste wereldtentoonstellingen in Sevilla in 1992 en Hannover in 2000 wel af of het niet teveel vermaak is geworden. Hebben wereldtentoonstellingen nog een educatieve functie, of verworden ze tot een vorm van entertainment waar andere media beter geschikt voor zijn.

In 2005 zal Japan het antwoord moeten geven op die vraag. De titel van Expo 2005 Beyond Development: Rediscovering Nature's Wisdom duidt op een driemansgesprek tussen mens, natuur en techniek, schrijft Kint. Maar ook op positivisme en toekomst. Waar blijft de kritiek? | M.W.

Johanna Kint, Expo 58 als belichaming van het humanistisch modernisme, 010, ISBN 9064504288, 65 gulden.

Pieter van Wesemael, Architecture of Instruction and Delight - A Socio-historical Analysis of World Exhibitions as a Didactic Phenomenon (1798-1851-1970), 010, ISBN 9064503834, 85 gulden.

Re:ageer