Wetenschap - 31 oktober 2002

NB: Grotschilderingen zijn geen kunst maar maatschappij

NB: Grotschilderingen zijn geen kunst maar maatschappij

In de zeventiende eeuw berekende de Britse bisschop John Lightfoot dat de wereld op 23 oktober 4004 voor Christus door God was geschapen. Niet iedereen zou in die tijd geloofd hebben dat het tijdstip van het begin van de wereld overeenkwam met de opening van het academische jaar van Cambridge University, maar duidelijk was wel dat men tot diep in de negentiende eeuw niet geloofde in de verre prehistorie die wij nu zo gewoontjes vinden.

Ondertussen weten we dat onze voorouders in die prehistorie vaardigheden opdeden die we nu nog gebruiken. De leden van de soort homo sapiens werden sociale wezens met nederzettingen en ontwikkelden allerlei technieken om het leven te veraangenamen. Het bijzondere was dat ze ook artefacten maakten, dingen die we nu kunst noemen. Inmiddels is duidelijk dat tussen veertigduizend en tienduizend voor Christus een ware bloeiperiode was voor zulke 'kunst', zoals de grotschilderingen van Lascaux, Chauvet en Altamira of de beeldhouwwerkjes van been en ivoor.

De Zuid-Afrikaanse specialist in grotkunst David Lewis-Williams betoogt in 'The Mind in the Cave' dat de prehistorische mens zulke beelden en schilderingen maakte door een combinatie van groeiend sociaal leven en een groeiend bewustzijn. Dat is een complexe maar wel verhelderende hypothese. Tot nu toe werd prehistorische kunst vaak simpelweg vertaald naar religieuze of sjamanistische rituelen of beschouwd als l'art pour l'art, als esthetisch fenomeen. Lewis-Williams betoogt wat mij betreft overtuigend dat de moderne mens, juist door zijn vermogen om heden, verleden, dromen en visies in zijn bewustzijn te mengen tot complexe beelden, in staat was om beelden te cre?ren die in het sociale leven zoveel gezag en zekerheid kregen dat ze tienduizenden jaren een vast onderdeel moeten zijn geweest van het sociale leven van de prehistorische mens.

Wat boeiend is aan Lewis-Williams' theorie - want niemand zal ooit echt weten wat en waarom er gebeurde - is de breedte. 'The Mind in the Cave' gaat helemaal niet over kunst, niet over hoe mooi de bisons van Altamira zijn, hoe gedetailleerd in Zuid-Afrika antilopen werden verbeeld, of wat de betekenis is van de puntjes, streepjes, handen, mensfiguren, enzovoorts. Lewis-Williams schrijft over de manier waarop mensen in de prehistorie een ontwikkeling doormaakten die ertoe leidde dat ze beelden gingen cre?ren. Omdat die mensen zich ontwikkelden tot een gemeenschap van individuen die over zichzelf nadachten.

Je zou kunnen zeggen, maar ik weet niet of Lewis-Williams het daarmee eens is, dat de homo sapiens de eerste aanzetten ontwikkelden tot hedendaagse instituties als kunst en wetenschap. Daarmee vormde ze tussen tienduizend en veertigduizend jaar voor Christus een nieuwe vorm van samenleven, de maatschappij. De grotten waren deel van die maatschappij en de manier waarop de schilderingen in die grotten werden gemaakt en gebruikt hingen af van de manier waarop de gemeenschap was samengesteld.

Een Victoriaanse dame zei naar aanleiding van de opkomende berichten over het bestaan van de prehistorie en de afstamming van de mens: "Laten we hopen dat het niet waar is, maar als het zo is, laten we hopen dat het nooit algemeen bekend raakt." Nu is algemeen bekend dat de prehistorie heeft bestaan, maar wordt er vaak nogal eenzijdig religieus, esthetisch of etnografisch naar gekeken. Lewis-Williams heeft een indrukwekkende aanzet gegeven om zowel sociologisch als evolutionistisch te kijken naar de 'wonderen van de natuur'. Hij plaatst de prehistorische mens in zijn tijd. | M.W.

David Lewis-Williams, The Mind in the Cave - Consiousness and the Origins of Art, Thames & Hudson, Import Nilsson & Lamm, ISBN 0500051178, 35,80 euro.

Re:ageer