Wetenschap - 11 oktober 2001

NB: De vredestichtende uitstraling van de zwartbonte koe

NB: De vredestichtende uitstraling van de zwartbonte koe

BOEK | 'Gulden' betekent 'gouden', schrijft Henk Pov?e in zijn boek De gulden. "Een zilveren gulden is dus eigenlijk onzin, laat staan een nikkelen." De laatste gulden die nog echt goud was, was de Carolusgulden uit 1521. Met de komst van de Euro is het helemaal gedaan met dat wat uitgegroeid is van materiaalaanduiding tot nationale munt.

De gulden moet dan ook beschouwd worden als een nog niet in het marmer ingebeiteld grafschrift of een biografie voor iemand die nog net niet dood is. Het kietelt de nieuwsgierigheid naar iets wat er eigenlijk niet meer is, iets waarvan we nog lang niet zeker zijn of we het zullen missen.

Geld is een abstractie geworden, zo wordt nog eens pijnlijk duidelijk bij het lezen over de eerste bankbiljetten in 1814. Die werden in het rood gedrukt, en maar aan ??n kant. Drukkerij Ensched? gebruikte daarvoor zowat alle lettertypes uit zijn letterkasten en een sierrand waarvan de drukkerij als enige de matrijzen had, om illegale herdruk door anderen te bemoeilijken. Het is een eerste stap naar de overgang van munten uit edel en halfedel materiaal naar stukjes papier met een uitgekiende grafische vormgeving en hypermoderne druktechnieken.

Tegenwoordig is de gulden een abstract cijfer op een bankafschrift of een saldo op een flappentap. Het is een verzameling pasjes: pinpas, chipknip, chipper, credit card, kopieerkaart, koffiekaart, bibiotheekkaart, kortingskaart, parkeerkaart, studentenkaart, enzovoorts. Pov?e noemt de chipknip en de chipper 'de portemonnee die niemand wilde', maar is daar nogal vroeg mee, want er komen steeds meer experimenten met chipknip en kopieerkaarten en parkeerkaarten.

Henk Pov?e, De gulden - Geschiedenis van Nederlands nationale munt, Thoth, ISBN 906868289X, 50 gulden.

BOEK | Het is een wat trieste boekenrubriek, want ook het onderwerp uit deze boekrecensie dreigt uit het zicht te verdwijnen, de koe. Koeien dreigen uit de Nederlandse weides te verdwijnen, binnen in de stal produceren ze beter.

De koe is geschreven door een bedreven duo. Illustratrice Marleen Felius werd beroemd met haar indrukwekkende standaardwerk Rundveerassen van de wereld. Veeteeltjournalist Anno Fokkinga schreef samen met haar in 1997 Het varken, een soort cultuurhistorie van het huisdier.

Ook in De koe gaat het Felius en Fokkinga vooral om het gebruik van koeien door mensen. Daarbij gaat het niet alleen om eten, maar ook om ossentrekwedstrijden, het ploegen in twee- of zesspan, of de vredestichtende uitstraling van de zwartbonte koe op een verkiezingsposter van de PSP.

Het uiterlijk van de koe is tegenwoordig meer dan een afspiegeling van de potenti?le productie. Koeien krijgen een schoonheidsbehandeling en worden op schoonheid gefokt. Keurders van het Nederlandse stamboek beoordelen dikbilkoeien met hun kaalgeschoren billen op uitvergrote en gemoderniseerde raskenmerken, de Masai brandmerken hun mooiste koe in sierlijke cirkels, de Turkana uit Kenia trekken met draadjes de hoorns naar elkaar toe.

De koe is nooit van zichzelf, altijd van de boer. Dus brandmerken de Amerikanen hun vee, verknippen de veeboeren in Zuid-Madagaskar de oren in een grote verscheidenheid aan vormen en kijken wij Nederlanders aan tegen lelijke gele oormerken. Laat ze dan maar op stal staan. | M.W.

Marleen Felius en Anno Fokkinga, De koe, Thoth, ISBN 9068682946, 79,50 gulden.

Re:ageer