Wetenschap - 1 januari 1970

Muskietenlarf niet vies van kannibalisme

Muskietenlarf niet vies van kannibalisme

Muskietenlarf niet vies van kannibalisme


,,Eigenlijk bestudeerde ik de effecten van de aanwezigheid van oudere
muskieten op de groei van de jongere’’, zegt ir Sander Koenraadt. ,,Ik kwam
niet veel verder in mijn proeven, want de jongere exemplaren verdwenen.
Toen ik de uitwerpselen van de oudere larven onder de microscoop bekeek,
wist ik waarom. Ik zag de resten van andere larven.’’
Van alle larven van malariamuskieten schopt maar twee procent het tot mug.
In zijn promotieonderzoek stuitte Koenraadt op een verschijnsel dat in
ieder geval voor een deel verklaart wat er met de overige 98 procent
gebeurt. ,,De larven waarvan ik de uitwerpselen onderzocht zaten in een
petrischaaltje bij elkaar. Ze behoorden allemaal tot dezelfde ondersoort.
Kannibalisme, dus’’, zegt Koenraadt.
Als ze bij elkaar in petrischalen zaten, verorberden echter ook larven van
verschillende ondersoorten elkaar, ontdekte Koenraadt door DNA-onderzoek.
Toen hij extracten van fijngemalen larven op DNA onderzocht, vond hij
genetisch materiaal van meerdere soorten. Dat kwam omdat de larven in hun
spijsverteringskanaal nog stukken van andere larven hadden zitten.Of het
nou om predatie of kannibalisme ging, het waren in alle gevallen de oudere
en dus grotere larven die de jongere exemplaren soldaat maakten.
Koenraadt deed zijn onderzoek in het laboratorium, waar hij zijn larven in
kleine schaaltjes opkweekte, maar denkt dat die omstandigheden lijken op
die in de natuur. ,,In Kenia, waar ik mijn veldwerk heb gedaan, groeien de
larven in poeltjes van een vergelijkbare grootte’’, zegt hij. ,,In
hoefafdrukken van koeien, bijvoorbeeld, waar water in staat.’’
Koenraadt publiceerde zijn bevindingen in de Medical and Veterinary
Entomology. Hij deed de ontdekking in het kader van zijn promotieonderzoek
naar het verband tussen de omvang van de muskietenpopulatie en de kans op
malaria. | W.K.

Re:ageer