Wetenschap - 4 maart 2010

Monopolie met planten

Nederland is een belangrijke kraamkamer van nieuwe rassen en de grootste exporteur van zaden, bollen, pootgoed en stekken. Dat dreigt te verdwijnen, omdat het octrooirecht de innovatie bij veredelaars belemmert. Moet de Tweede Kamer de wetgeving aanpassen?

13-Tulpen-GA.jpg
De Panama-ziekte, veroorzaakt door een verraderlijke bodemschimmel, houdt op dit moment huis in bananenplantages en Zuidoost-Azië. En een agressief, uit Chili afkomstig mozaïekvirus tast de Nederlandse tomaten aan. In beide gevallen zijn de gewassen niet resistent tegen de ziekteverwekker. Werk aan de winkel dus   voor veredelingsbedrijven. Zijn ze in staat en innovatief genoeg om snel resistente gewassen te maken?
Tot voor kort was dit geen issue in de veredelingswereld, maar inmiddels verwacht menig veredelingsbedrijf dat er de komende jaren minder nieuwe rassen worden ontwikkeld.
'De octrooiwetgeving werpt blokkades op en bevoordeelt de grote bedrijven', zegt directeur Aad van Elsen van Plantum NL. 'Die belemmeren innovatie door de kleinere bedrijven.' Plantum NL, de Nederlandse organisatie van veredelingsbedrijven, kwam afgelopen jaar met een nieuw standpunt over octrooi- en kwekersrecht.
Plantum wil dat de knellende octrooiwetgeving op planten(bouwstenen) wordt ingeperkt en dat het kwekersrecht weer hét systeem voor de bescherming van plantenrassen wordt.
Vanaf de jaren zestig geldt in Europa het kwekersrecht voor land- en tuinbouwgewassen. Dat recht geeft de kweker van een nieuw ras een tijdelijke exclusiviteit als het nieuwe ras zich uiterlijk onderscheidt van bestaande rassen, stabiel vermeerderd kan worden en homogeen is. Andere kwekers mogen dit ras niet produceren en verkopen, maar het ras wel als ouder gebruiken om verder mee te kruisen: de breeders' exemption.
Het octrooirecht biedt de mogelijkheid om niet alleen nieuwe biotechnologische veredelingsmethoden te beschermen, maar ook om genen met gunstige eigenschappen te octrooieren. Andere bedrijven mogen dit gen niet gebruiken voor verdere veredeling, tenzij ze een licentievergoeding betalen aan de octrooihouder. Daarmee is de breeders' exemption niet van toepassing en overvleugelt zo'n octrooi het kwekersrecht. Hoe meer genen worden geoctrooieerd, hoe minder effectief het kwekersrecht.
Het innovatie-remmende effect van octrooien wordt nog eens versterkt door schaalvergroting. Er komen steeds minder veredelingsbedrijven, omdat ze een voor een worden opgekocht door grote agrochemiebedrijven. Bij de landbouwzaden heeft de mondiale top-vier - Monsanto, Pioneer-DuPont, Syngenta en Limagrain - inmiddels meer dan dertig procent van de zaaizaadvoorziening in de wereld in handen. Tien jaar geleden was dat nog twaalf procent.
Ook bij de tuinbouwzaden is een voortdurende concentratie gaande. Belangrijke Nederlandse veredelingsbedrijven als Royal Sluis, Bruinsma, De Ruiter Zaden en Van der Have zijn inmiddels in buitenlandse handen. Bij groenten als sla, aubergine en tomaat domineren enkele bedrijven de mondiale zaadvoorziening.
'Met de huidige spelregels komt de hele sector in handen van bedrijven als Monsanto, Syngenta en Bayer', zegt een Wageningse plantenveredelaar - hij wil anoniem blijven omdat hij zijn opdrachtgevers niet voor de voeten wil lopen. 'Als we de huidige wet- en regelgeving volgen, zetten we steeds stapjes op weg naar het privatiseren van genetisch uitgangsmateriaal, terwijl erfelijk materiaal altijd is beschouwd als erfgoed van de mensheid.' Wat volgens hem  het genetisch materiaal monopoliseert, is het toenemend aantal octrooien op eigenschappen van planten.
Op dit moment liggen er 4500 octrooiaanvragen bij het Europese octrooibureau. De aanvraag van een octrooi duurt gemiddeld zeven jaar. Iedereen kan de aanvragen inzien;  niemand weet of ze worden gehonoreerd. Dat leidt tot jarenlange onzekerheid. Het kost bedrijven veel moeite en juridisch advies om te beoordelen welke technieken en planten ze verder kunnen ontwikkelen.
Van Elsen, directeur van Plantum NL: 'Het aantal patenten is sterk gestegen en de toegang tot die patenten voor andere bedrijven verloopt moeizaam. De bedragen die voor licenties betaald moeten worden, zijn erg hoog. Daarnaast gelden er vaak beperkende voorwaarden. De vrijheid van de veredelaars is ingeperkt door het octrooirecht.'
Het octrooirecht, bedoeld om innovatie te stimuleren, kan andere bedrijven ervan weerhouden een ras verder te veredelen. Voorbeeld: Als bedrijf X maïszaad wil verkopen in de VS, heeft het een licentie van marktleider Monsanto nodig om resistentie tegen het bestrijdingsmiddel Round-Up in te bouwen in het eigen ras. De meeste Amerikaanse maïsboeren gebruiken dit bestrijdingsmiddel. Dat weet ook Monsanto. Dat worden dus lastige onderhandelingen voor X, want Monsanto hoeft geen licentie te verlenen en kan eenzijdig de prijs vaststellen. Veel veredelaars beginnen er daarom niet aan.
Of een nieuwe vinding innovatief is, een voorwaarde voor het verstrekken van een octrooi, bepaalt het octrooibureau aan de hand van de stand der techniek. Andere bedrijven kunnen vervolgens oppositie voeren tegen die beslissing. Grote bedrijven proberen aan een zwakke aanvraag toch een sterk octrooi over te houden door er veel octrooigemachtigden op te zetten. Kleine bedrijven daarentegen beschikken niet altijd over voldoende kennis en geld om een octrooi aan te vechten, in beroep te gaan indien hun aanvraag niet wordt gehonoreerd of zich te verweren tegen de oppositie vanuit grotere bedrijven. Het is voor kleine bedrijven ook onmogelijk in de gaten te houden wat er in aanvraag is aan patenten die van invloed zijn op hun werk.
Maar er lijkt een kentering gaande bij de toekenning van octrooien, althans in de Verenigde Staten. Daar wijst het octrooibureau steeds vaker octrooiaanvragen op genproducten af, omdat ze niet inventief genoeg zijn. Elke PhD-student in de plantenveredeling kan tegenwoordig een gensequentie van een bepaalde eigenschap beschrijven. Als je het criterium van inventiviteit aanscherpt, worden er minder octrooien op plantengenen verleend.
Of dit de voorbode is van scherpere octrooibeoordelingen van het Europese octrooibureau, is nog maar zeer de vraag. Een belangrijke testcase volgt later dit jaar, als de Europese octrooirechtbank - Board of Appeal - een verweer  beoordeelt tegen twee octrooien op biologische werkwijzen bij de veredeling van broccoli en tomaat. Als dit verweer wordt afgewezen, gaan zelfs traditionele kruisings- en selectiemethoden onder het octrooirecht vallen.
Plantum NL stelt voor dat de wetgever het octrooirecht aanpast. Door de breeders' exemption op te nemen in de octrooiwetgeving, zijn genen en genconstructen in planten vrij beschikbaar voor de ontwikkeling van nieuwe rassen. Nieuwe methoden en technieken zouden wel onder het octrooirecht moeten blijven vallen.
Dit standpunt van de brancheorganisatie leidt tot kritiek van de Wageningse plantenveredelaar. 'Plantum NL steunt de huidige familiebedrijven, maar die zijn net zo commercieel als de Monsanto's van deze wereld. Middelgrote zaadbedrijven als Enza, Rijk Zwaan, Bejo en De Ruiter Zaden zaten allemaal tot over hun oren in de octrooien. Maar toen stapte Monsanto hun groentezadenclubje binnen! Opeens was het octrooispel niet leuk meer, omdat de portemonnee van Monsanto veel dieper is dan die van hen.'
Van Elsen: 'De familiebedrijven moesten noodgedwongen ook octrooiposities innemen. Anders hadden ze helemaal geen onderhandelingspositie meer ten opzichte van de bedrijven die dat al wel deden.' Volgens hem onderscheiden de bedrijven zich in hun verdienmodel. Bij de beursgenoteerde multinationals gaat het om winstmaximalisatie en de verhoging van beurswaarde,  bij de niet-beursgenoteerde familiebedrijven om de continuïteit en een gematigde groei.
Het belang voor Nederland is groot. De internationale handel in zaaizaad is de afgelopen twintig jaar in waarde vervijfvoudigd. Nederland is wereldwijd de grootste exporteur van zaden, bollen, pootgoed en stekken en een belangrijke kraamkamer van nieuwe rassen. Maar door de overnames daalt het aantal Nederlandse bedrijven in de top-10 van tuinbouwveredelingsfirma's snel.
Als deze ontwikkeling doorzet, is Nederland straks niet meer een zwaartepunt in de plantenveredeling in de wereld, zegt de Wageningse plantenveredelaar. 'Dan staan de R&D-labs niet meer in Wageningen of Enkhuizen, maar bij UC Davis in de VS, in Montpellier in Frankrijk en in Azië. Dat treft ook Wageningen UR als leverancier van onderwijs en onderzoek voor deze sector.'
Standpunt
Niels Louwaars van het Centrum Genetische Bronnen Nederland (CGN) in Wageningen schreef samen met zes andere onderzoekers een rapport over de toekomst van de plantenveredeling in Nederland. Hij verwacht dat de ministeries van LNV en Economische Zaken deze maand met een standpunt komen over het onderwerp. Pas dan wordt het rapport openbaar en gaat de Tweede Kamer een oordeel vellen.

Re:ageer