Wetenschap - 21 maart 1996

Moleculair bioloog Schilperoort wil meer grensverleggend onderzoek

Moleculair bioloog Schilperoort wil meer grensverleggend onderzoek

De Nederlandse onderzoekers moeten meer ricisovol onderzoek doen om onze economie levensvatbaar te houden. Dat vindt de Leidse moleculair bioloog prof. dr Rob Schilperoort, die als een van de eersten in Nederland biotechnologie promootte. Sinds januari is hij voorzitter van de Koninklijke Nederlandse chemische vereniging, die biotechnologie als speerpunt van de chemische industrie ziet.


De Leidse hoogleraar dr Rob Schilperoort verenigt in zichzelf twee op het eerste gezicht onverenigbare hartstochten. Hij stort zich als biochemicus steeds weer gedreven op nieuwe, fundamentele vragen naar het genetisch systeem van planten en bacterien. En vanuit zijn politieke bewogenheid bepleit hij niet aflatend de samenwerking tussen universiteiten en het bedrijfsleven, om Nederland te behoeden voor armoede en ellende.

In de moleculaire biologie heeft Schilperoort zijn sporen verdiend. Door uit te pluizen hoe de bacterie agrobacterium tumifaciens DNA overdraagt aan planten legde hij een belangrijke basis voor genetische manipulatie van planten. Ook lokaliseerde zijn groep de zogeheten nif-genen bij de stikstofbindende bacterie rhizobium, die ook aan de LUW wordt onderzocht. De dagelijkse leiding van het Leidse onderzoek is nu grotendeels in handen van collega Hooykaas, omdat Schilperoort het te druk heeft met bestuursfuncties. Maar eenmaal met pensioen, vertelt de hoogleraar, duikt hij opnieuw in de biochemische literatuur om evolutionaire verwantschappen van organismen te onderzoeken.

Een niet minder belangrijke rol heeft Schilperoort gespeeld bij het stimuleren van de biotechnologie in Nederland. Sinds januari is hij voorzitter van de Koninklijke Nederlandse chemische vereniging (KNCV) die biotechnologie, samen met materialen en katalyse, als een speerpunt van de chemische industrie ziet. Al in 1981 stond de hoogleraar op de barricade voor biotechnologie, als voorzitter van de Programma-commissie biotechnologie. Deze bereidde de zogeheten IOP-programma's voor, waar het ministerie van Economische zaken miljoenen guldens in heeft gestoken. De programma's moesten stimuleren dat moleculair biologen, procestechnologen, fysiologen en biochemici zowel onderling gingen samenwerken als met het bedrijfsleven. De Nederlandse onderzoekscultuur moest worden als in Amerika, waar in 1980 fundamenteel en technisch onderzoekers al in teamverband werkten. Amerikaanse onderzoekers die iets leuks vonden, begonnen een eigen biotech-bedrijfje om hun vondst te exploiteren.

Ivoren toren

Die link met het ondernemersschap bestond in Europa niet", licht de hoogleraar toe. Ik vond het nodig dat je die link weer kreeg, dat mensen weer durfden. Maar een bedrijf beginnen doe je alleen als je zicht hebt op de praktijk. En in Nederland zaten de onderzoekers nog in een ivoren toren. Heel veel wetenschappers vonden dat ze het recht hadden om te doen wat ze zelf wilden. De maatschappij moest daar maar voor betalen. Dat vind ik belachelijk. Natuurlijk, er moet een basisfinanciering zijn, maar je moet zelf ook wat doen. Je eigen broek ophouden is helemaal niet erg, daar word je creatief van."

Ik wilde laten zien dat de Nederlandse wetenschapper inderdaad iets voor de maatschappij kan doen. Dat was het begin van modern technologiebeleid. Maar dat is dus vanuit de wetenschap gecreeerd, niet vanuit Economische zaken. Want die wisten toen nog niet hoe ze het moesten aanpakken. De moleculaire biologie is gestimuleerd, maar ook de celbiologie, microbiologie en microbiele fysiologie. Microbiele fysiologie heeft niks met moleculen te maken. Maar als je dat niet doet, kun je niet verwachten dat je bacterien in een grote fermentor kunt laten groeien. Bij biotechnologie is een multidisciplinaire aanpak heel belangrijk."

Sommige wetenschappers uitten begin jaren tachtig hoge verwachtingen over de biotechnologie: er kwamen stikstofbindende bacterien in de grond, plantencellen in fermentoren, the sky was the limit. Waren onderzoekers te optimistisch in die tijd?

Ja, ik denk dat dat zo is. Ik zeg weleens: dat is de arrogantie van de wetenschapper die denkt dat hij het weet. De moleculair biologen denken: we hebben een sequentie en kunnen een eiwit produceren. Maar bij de toepassing ontstaan allerlei problemen, omdat de beestjes in een andere omgeving moeten werken dan in het laboratorium."

Was u zelf ook te optimistisch wat betreft de termijn van toepassing?

Ik ben altijd tegen het gepraat geweest over stikstofbinding door planten. Op theoretische gronden kon ik toen al zeggen dat dat onzin was. Maar ik heb wel altijd veel gezien in het versterken van de veredeling met moleculaire genetica. En dat is uitgekomen, als je ziet hoeveel inzicht moleculaire merkertechnieken als RFLP en RAPD geven. Ook wat we destijds zeiden van agrobacterium tumifaciens is volkomen waar geworden. Het is nu een belangrijk vehikel om planten te modificeren. Tientallen gemodificeerde planten komen op de markt."

Juichend

Maar je moet niet denken dat alles lukt. Overal zitten limieten aan, maar die geven weer kennis waarmee je het kunt verbeteren. De Amerikanen zijn veel te juichend geweest over de biotechnologische mogelijkheden, maar dat behoort bij hun systeem van marketing. Wie een bedrijfje start, moet financiers vinden. En dan gaan ze meer beloven dan ze kunnen waarmaken."

Dat spel werd in Nederland niet gespeeld?

Nee, nauwelijks. In Nederland wilden de financiers voor een dubbeltje op de eerste rij zitten, ze wilden binnen vijf jaar resultaat zien. De banken in Nederland hebben zich begin jaren negentig uit de gespecialiseerde biotechnologie-bedrijven teruggetrokken, omdat er in korte tijd niet veel aan te verdienen viel. Dat kan nooit. Voordat bedrijven nieuwe technologie kunnen introduceren, moeten ze geschoolde mensen hebben, er moet een speciaal systeem van leningverschaffing zijn, ze moeten de juiste apparatuur en beveiligingsmechanismen hebben. Alleen al organisatorisch moet er zoveel veranderen dat er decennia overheen gaan."

U voorspelde in 1983 in het Chemisch weekblad dat halverwege de jaren negentig, nu dus, de grote doorbraken zouden komen. Zijn die er nu?

Ja, multinationals investeren momenteel enorm in de biotechnologie. De farmaceutische industrie heeft het hele onderzoek omgegooid. Bij Unilever heeft de biotechnologie de overhand gekregen en is de chemie dienend geworden. Dat is ook de reden waarom de chemische industrie biotechnologie als zo'n belangrijk onderwerp voor Nederland ziet. Kijk, kleine bedrijven als Keygene, Euro-diagnostic, Mogen en Intermediair hebben de ontwikkeling aangejaagd. Bedrijven als DSM en Gist-Brocades sluiten zich nu aan. Ze starten fabrieken en nemen aandelen in biotechnologie-bedrijven. Uit die samenwerking komen nieuwe produkten voort."

Er zijn nu medische eiwitten en diagnostica, gemaakt via recombinant-DNA-technologie. De eerste gemodificeerde planten zijn op de markt. Er wordt gentherapie toegepast. En je moet niet alleen kijken naar produkten, gemaakt met recombinant-DNA-technieken. Biotechnologie is multidisciplinair."

U waarschuwt altijd voor het achterlopen op de Verenigde Staten. Is het voor een klein land als Nederland niet beter eerst de kat uit de boom te kijken? Dat was destijds ook de filosofie van Wageningen.

Een heel ongelukkig idee, want dan moet je allemaal licenties betalen. In de landbouw gaat het straks niet meer om kwekersrecht maar om licentierecht. Veel van de moderne technologie is al vastgetimmerd in octrooien. Je mag een geoctrooieerde technologie wel voor onderzoek gebruiken, maar zodra je met een produkt op de markt komt, wordt je gepakt tenzij je een licentie hebt. En die krijg je niet altijd. Zelfs grote bedrijven hebben nu moeite - dat zie ik van nabij - om licenties van het Amerikaanse Monsanto te krijgen. Die is namelijk nogal machtig in het geheel. Als Wageningen straks bij gebrek aan licenties zijn ondersteunende rol niet kan waarmaken, krijgt onze landbouw klappen."

Uiteindelijk heeft de LUW het roer omgegooid en is ze goed bij in de biotechnologie. Maar Wageningen en Nederland in het algemeen hebben Amerika nog niet ingehaald."

Is het systeem van octrooiering geen enorme bedreiging voor het landbouwkundig onderzoek?

Nee, dan kunnen onderzoekers wat meer fundamenteel onderzoek doen. Laat ze hun nek maar uitsteken en nieuw, risicovol onderzoek doen, waarmee ze zelf patenten kunnen krijgen. Mensen leven veel te veel bij de waan van de dag. Dat geldt ook een beetje voor de wetenschappers die veel moeten publiceren, omdat ze anders geen geld krijgen. Ja, dan ga je natuurlijk wel een beetje makkelijk werken, he? De waan is ook dat je veel naar congressen moet om je te vertonen; anders ben je niet bekend. En juist de goede wetenschappers worden managers."

Knutselaars

Er zijn ook nogal wat onderzoeksgroepen die graag op de muziekkar springen, zoals dat in Amerika heet. Een onderzoek heeft iets geopend, zoals het agrobacterium-onderzoek, en iedereen gelooft erin. De mogelijkheden zijn duidelijk en een heleboel mensen gaan het doen. Niet erg origineel. Als je geen risicovol creatief onderzoek doet, raakt de bron van nieuwe vindingen leeg. En daarmee de bron van mensen die inzicht ontwikkelen hoe je kennis moet gebruiken. Als die opdroogt, krijg je alleen nog maar knutselaars."

Bedreigt octrooiering de publiceervrijheid van de universiteit?

Ik heb minstens tien artikelen in Nature gehad. Een octrooi-gemachtigde keek eerst altijd of het zin had technologie te octrooieren. Zo ja, dan maakte hij binnen een week een depot. Vervolgens publiceerde Nature het pas na een half jaar. Ik heb destijds octrooiering aangegegrepen om te weten in hoeverre een patentaanvraag publiceren verstoort. Nou, dat is dus larie, althans in ons geval."

Universitair onderzoek dat leidt tot basispatenten, zit heel vroeg in de technologie-ontwikkeling. Ik zeg: dat moet je voor Nederland willen vastleggen, want anders hebben we straks niks. En het is jammer dat universiteiten voor zulk risicovol onderzoek minder geld over hebben en dat er allerlei beoordelingsclubs zijn. Voor echt grensverleggend onderzoek, waar nog niets over in de literatuur is te vinden, moet je onderzoekers minstens tien jaar met rust laten. Het betekent dat een groep moet durven switchen van een onderwerp waarin ze hartstikke goed is en veel publikaties geplaatst krijgt, naar onzeker onderzoek waarin ze moet afwachten of ze iets vindt."

U bent wel begaan met de Nederlandse economie.

Heb jij zin in al die werkelozen, in allemaal bedrijven die weggaan naar andere landen? We moeten zorgen voor een vitale maatschappij die geld kan verdienen, want anders kunnen we straks de zwakkeren niet meer helpen. Zij zullen er het eerst onder lijden."

Re:ageer