Organisatie - 14 juni 2007

Moet promotiecommissie meer invloed krijgen?

Het Wageningse College voor Promoties gaat de leescommissies meer ruimte geven om commentaar te leveren op proefschriften. In het slechtste geval levert dit de promovendus vertraging op. Is dit een goede manier om de kwaliteit van de promotieonderzoeken te verbeteren? Of leidt de toegenomen invloed van de leescommissies alleen tot onnodig veel rompslomp?

207_opinie_0.jpg
Prof. Paul Richards, hoogleraar Technologie en agrarische ontwikkeling
‘Het heeft me enige tijd gekost om te wennen aan het Nederlandse systeem. Ik zie nu voordelen ten opzichte van het Britse systeem. Aan Britse universiteiten becommentariëren leden van de leescommissie het proefschrift uitgebreid schriftelijk, waarna de promovendus dan nog eens achttien maanden moet werken om het onderzoek te vervolmaken. Hier is het inderdaad zo dat je ja of nee kan zeggen. Maar het komt echt voor dat de commissie nee zegt. En leden van de leescommissie hebben best mogelijkheden om opmerkingen te maken. Tot nu toe ging dat niet zo formeel, maar het kwam wel voor dat we een promotor belden en zeiden dat een proefschrift misschien beter teruggetrokken kon worden om het nog te verbeteren. Voordeel van het Wageningse systeem is dat de promovendus zich publiekelijk moet verdedigen en ik heb het meegemaakt dat kandidaten daar volstrekt uitgeput uitkwamen. De promovendus mag zich een leven lang doctor noemen, maar als de publieke verdediging niet goed was, blijft dat er ook aan kleven.’

Dr. Patrick Jansen, cum laude gepromoveerd in Wageningen, ontving een Veni-subsidie en is nu postdoc aan de Rijksuniversiteit Groningen[img]
‘Als wetenschapper vind ik het prima dat een systeem wordt ingevoerd dat de kwaliteit bevordert. Ik heb gezien dat mensen de titel verwierven zonder dat ze die verdienden. De promotor, de groep, iedereen hielp eraan mee om iemand te laten promoveren en daardoor devalueert uiteindelijk de doctortitel. Een systeem waarbij de leescommissie een proefschrift met opmerkingen kan terugsturen, vind ik al winst. Dat er een soort rating komt voor proefschriften is ook goed, al is het voor de kandidaat misschien niet zo leuk als bekend wordt op welk niveau het proefschrift wetenschappelijk gezien staat.
Maar waar het écht om gaat is natuurlijk het financieringssysteem. Dat dwingt groepen ertoe zoveel mogelijk promoties binnen te halen. Daardoor móet een promovendus ook promoveren. Daar ligt feitelijk de bron van alle kwaad.’

Prof. Ton Bisseling, hoogleraar Moleculaire biologie[img]
‘Hou me ten goede, maar volgens mij kan de leescommissie nu al een proefschrift tegenhouden en dat is ook goed. Ik heb het een keer als lid van de leescommissie meegemaakt dat ik een signaal heb afgegeven aan de copromotor, die ik goed kende. Ik weet niet of ik toen formeel juist gehandeld heb, maar het proefschrift is er wel sterk door verbeterd.
Vergelijking met het wetenschappelijke niveau in de rest van de wereld is lastig, omdat je verschillende systemen hebt. Waar vergelijk je dan mee? Met de universiteiten in Afrika? Wij hebben een uitzonderlijke positie met ons vierjarig systeem. Elders kennen ze een driejarig systeem. Dat ene jaar is erg belangrijk voor de kwaliteit van het proefschrift. Het verhaal dat de kwaliteit van proefschriften daalt kan ik niet plaatsen. Je komt wel eens mindere tegen, maar je komt ook excellente tegen.’

Ir. Simone de Bruin, doet promotieonderzoek bij de leerstoelgroep Dierlijke productiesystemen[img]
‘Ik ga natuurlijk voor de kwaliteit van een proefschrift, maar de mogelijkheid voor de leescommissie om commentaar te geven moet er niet toe leiden dat er minder tijd is voor het onderzoek. Het zou een kwalijke zaak zijn als het commentaar ertoe leidt dat het hele proces langer duurt. Je moet toch in vier jaar klaar zijn. Het zou zonde zijn als het proefschrift er niet komt doordat er geen tijd is op het commentaar in te gaan.
De leescommissie zou zich in haar commentaar moeten beperken tot die delen die niet zijn gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. Delen die gepubliceerd zijn, daarvan weet je dat ze goed zijn. Bovendien moet de begeleidingscommissie erop toezien dat de kwaliteit van het onderzoek goed is.’

Ir. David Lentink, doet promotieonderzoek bij de leerstoelgroep Experimentele zoölogie[img]
‘Ik zou het goed vinden als de kwaliteit van proefschriften wordt bepaald aan de hand van de internationale publicaties uit het promotieonderzoek. Dat is de enige manier waarop je objectief een oordeel kunt vormen over de kwaliteit. Je zou de eis kunnen stellen dat een minimum aantal hoofdstukken internationaal gepubliceerd moet zijn. Elk tijdschrift heeft een bepaalde impactfactor aan de hand waarvan je tot een beoordeling van het niveau kunt komen.
Wellicht moet je dan nog iets bedenken voor proefschriften waarvan nog geen publicaties zijn verschenen omdat de tijd daarvoor te kort is geweest. Ik zou meer tijd geven. Ook zijn er promoties die meer gericht zijn op design in plaats van fundamenteel onderzoek, en daarom zou ik ook octrooien meetellen. Het draait uiteindelijk om de intellectuele prestatie.
In het algemeen krijg je door de publicaties en octrooien wel een beeld van de positie van het onderzoek ten opzichte van wat er verder in het wetenschappelijke veld gedaan wordt.
Daarnaast ben ik erg voor het reviewproces. Als de leescommissie commentaar levert zul je een goed weerwoord moeten geven, of je proefschrift moeten aanpassen.’

Dr. Aad Termorshuizen, senior productmanager Bodemkwaliteit bij Blgg, schreef vorige week in Resource dat Wageningse promotiecommissies te weinig invloed hebben
‘Het lijkt alsof ik op mijn wenken bediend word. Ik zat er al een hele tijd mee dat het werk van de leescommissie eigenlijk niet serieus werd genomen. En dan heb ik het nog niet over mezelf, maar vooral over mensen die uit het buitenland kwamen en dan zeven of acht minuten bij een promotieceremonie vragen mogen stellen. Je ziet ze denken: ben ik hiervoor gekomen?
Het beste is natuurlijk als je een echte discussie organiseert tussen de promovendus en de leescommissie, die moet gaan over delen van het proefschrift die nog niet zijn gepubliceerd. Uitstel van promotie is een te zwaar middel. Ik zou liever zien dat je sowieso commentaar kunt geven, waarna de promovendus in drie weken tijd een nieuwe versie moet leveren. En die versie zou dan normaliter goedgekeurd moeten worden, behalve bij ernstige omissies. Ik begrijp ook wel dat dat moeilijk te organiseren is en veel tijd kost. Het levert natuurlijk problemen op bij buitenlandse promovendi van wie de verblijfsvergunning afloopt. Maar een discussie geeft wel een veel beter beeld van de capaciteiten van de kandidaat.’

Re:ageer