Wetenschap - 30 augustus 2007

Mobiliteit verandert het platteland

In de ene Europese regio loopt het platteland leeg, terwijl andere regio’s in trek zijn bij forensen die buiten willen wonen en toeristen die de stad ontvluchten. Agrarische producten reizen ook over de wereld, en er worden steeds hogere kwaliteitseisen aan gesteld. Deze grotere mobiliteit van mensen en producten maakt het platteland kwetsbaarder, maar het biedt ook kansen voor duurzame initiatieven, aldus prof. Han Wiskerke, hoogleraar Rurale sociologie.
De leerstoelgroep Rurale sociologie organiseerde van 20 tot 24 augustus in Wageningen het 22ste congres van de Europese Vereniging voor Rurale Sociologie, over de nieuwe vragen en uitdagingen voor het Europese platteland. De 350 sociale wetenschappers uit Europa en daarbuiten bogen zich over tal van onderwerpen als de opkomst van biobrandstoffen, de gevolgen van dierziektes of de organisatie van lokaal bestuur, en mobiliteit.
De toegenomen mobiliteit levert vaak tegenstrijdigheden op, zegt prof. Han Wiskerke. ‘Toerisme kan een hogere milieudruk opleveren, maar ook werkgelegenheid.’ Er kunnen ook onverwachte dingen gebeuren, zegt medeorganisator dr. Bettina Bock. ‘Als Rian Air bijvoorbeeld een nieuwe bestemming kiest naar een voorheen geïsoleerd gebied, dan kan het daar ineens vol Engelse toeristen zitten.’
Om de ontwikkeling van het platteland te begrijpen, zegt Wiskerke, zijn inzichten van verschillende kanten nodig. ‘Onderzoek moet dus interdisciplinair zijn.’ Daarom waren er op het congres naast ruraal sociologen ook wetenschappers uit andere disciplines.
Het onderscheid tussen westerse sociologie en ontwikkelingssociologie is ook uit de tijd, zegt Bettina Bock. ‘Europa heeft ook ghetto's of poverty waar de armoede vergelijkbaar is met die in ontwikkelingslanden.’
De organisatie van lokaal bestuur kwam vaak terug in de afsluitende discussie over de conclusies uit het congres voor het beleid. Lokale en regionale overheden lijken een grotere rol te gaan spelen in plattelandsbeleid. Wiskerke: ‘Brussel schetst de vergezichten, en die worden lokaal of regionaal ingevuld. Nationale overheden kunnen daarbij wat uit het gezicht verdwijnen. Maar of dit ook echt de trend is valt nog te bezien.’
Lokaal beleid is ook niet zonder problemen, zegt Bock. Gemeenten kunnen of willen lang niet altijd goed lokaal beleid maken. Bovendien zijn er in Nederland en Engeland wel vrij veel lokale plattelandsorganisaties die initiatieven kunnen nemen, maar dat is lang niet in alle Europese landen zo. Het Europese programma voor plattelandsontwikkeling Leader slaat daarom ook niet overal goed aan.
Jean Michel Courades, bij de Europese Commissie verantwoordelijk voor Leader, bevestigde in de slotdiscussie dat steeds meer programma’s decentraal worden uitgevoerd. Juist daardoor, zo bleek uit de discussie, wordt de afstemming tussen bestuurslagen als gemeenten, provincies, lidstaten en de EU steeds belangrijker. Die samenwerking gaat lang niet altijd goed.
De Finse Hilkka Vihinen van de Finse organisatie voor landbouwonderzoek, zei bijvoorbeeld dat de nationale overheden van veel lidstaten het ambitieuze Europese plattelandsbeleid verwateren. ‘Het probleem is’, zei André van de Zande, als directeur-generaal bij het ministerie van LNV verantwoordelijk voor plattelandsbeleid, ‘dat de verschillende overheden veel verantwoording moeten afleggen. En dat moet ook steeds vaker van tevoren, waardoor er te weinig ruimte is voor experimenten.’ Van der Zande vroeg de sociale wetenschappers daarom om hulp bij het oplossen van dit soort problemen.

Re:ageer