Wetenschap - 1 januari 1970

Mister DLO

Ir Kees van Ast vertrekt per 1 september naar de Universiteit Twente. Onder het genot van een goed glas bier wil de vice-voorzitter van de raad van bestuur wel even napraten over zijn beslissing om weg te gaan, de verhoudingen binnen het bestuur en het gedwongen huwelijk tussen DLO en universiteit.

Hij draait zijn bierglas langzaam rond en neemt af en toe een slok. Kees van Ast drinkt zoals hij praat. Rustig en bedachtzaam. Over zijn beslissing om weg te gaan is hij opvallend openhartig. ‘Mijn besluit om te stoppen komt misschien iets te laat. In 2001 heb ik voor de keuze gestaan om nog een keer voor vier jaar bij te tekenen. Dat heb ik toen gedaan omdat ik de enige uit de raad van bestuur was die er vanaf het begin bij heeft gezeten. Cees Veerman zou immers eind van 2001 weggaan. Nu zou ik niet nog eens vier jaar in dezelfde rol willen doorgaan. Als ik het rationeel bekijk is het gewoon tijd om te stoppen’.

Sturing
Van Ast weet dat er in de wandelgangen wordt gesproken over ruzies. Zo erg is het volgens hem allemaal niet, al erkent hij wel dat de verhoudingen in de raad van bestuur onder de huidige bestuursvoorzitter, Aalt Dijkhuizen, totaal anders zijn dan onder diens voorganger Cees Veerman. ‘Iedere persoon is anders. Veerman had minder tijd beschikbaar en gaf je veel vertrouwen. Ik wil niet zeggen dat ik veel dingen in m’n eentje heb gedaan, zonder dat de anderen het wisten. Het kwam echter wel regelmatig voor dat je iets meldde in de trant van ‘ik heb het maar zo geregeld, dat vind je zeker wel goed?’ Bij Dijkhuizen werkt dat anders. Hij heeft meer belangstelling voor dossiers, wil meer sturing en alles in een eerder stadium bespreken. Dat was wel even wennen.’
Dat de collegevoorzitter vorig jaar de beslissende stem kreeg binnen raad van bestuur en daarmee het collegiale bestuur op de helling zette, ziet hij niet als een nederlaag. Van Ast: ‘Zo zit ik niet in elkaar. Maar het is zeker niet ‘mijn’ model. De tijd zal leren of één baas überhaupt wel past bij een kennisinstelling. Dat ik nu wegga is ook zeker niet uit frustratie. Ik heb steeds het gevoel gehad dat ik iets aan de organisatie heb kunnen toevoegen.’
Van Ast vindt het een goede zaak dat zijn opvolger, Tijs Breukinkin geen DLO-bloedgroep heeft, maar afkomstig is uit het bedrijfsleven. ‘Ik werd door mijn achtergrond toch altijd gezien als een soort ‘mister DLO’. Bij de universiteit werd vaak gemopperd omdat ik iets op een ‘typische DLO-manier’ zou aanpakken. Het is me nooit helemaal duidelijk geworden wat ze er precies mee bedoelden, maar dat beeld roep ik blijkbaar op. Ik heb er niet echt onder geleden, maar iemand van buiten heeft daar in ieder geval geen last meer van’, aldus Van Ast.

Haagse tijd
Het is bijna dertig jaar geleden dat Van Ast kort na zijn Wageningse tuinbouwstudie in dienst trad als bedrijfseconomisch onderzoeker bij het Landbouw-Economisch Instituut (LEI). Hij werd gedetacheerd bij het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in Lelystad om te helpen de teelt nog verder te intensiveren. Daarbij kreeg hij voor het eerst te maken met de milieuproblematiek. ‘In de bloembollenteelt was chemische ontsmetting met methylbromide toen heel gewoon.’
Later maakte Van Ast als (adjunct-)directeur van de directie Akker- en Tuinbouw bij het ministerie van LNV ook de omslag mee. ‘Het beleid werd erop ingericht om de switch te maken van een maximale productie naar een milieubewuste productie. Dat was een hele strijd. Het is vooral te danken aan de substraatteelt dat de glastuinbouw die omslag met behoud van rendement heeft kunnen maken.’

‘Bij de universiteit werd vaak gemopperd dat ik de dingen op een typische DLO-manier aanpak’
Van 1986 tot 1994 zat Van Ast bij het landbouwministerie, de periode waarin de aanzet werd gegeven tot de verzelfstandiging van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek. Die verliep erg traag. ‘Men had in Den Haag angst dat het verlies van drieduizend mensen ook het einde zou inluiden van het landbouwministerie’, aldus Van Ast. ‘In Den Haag heerste altijd al het gevoel dat er veel geld naar Wageningen ging. Het lijkt bij de Landbouwuniversiteit en DLO erg veel op elkaar en kan er met hetzelfde geld niet meer gedaan worden, vroegen ze zich dan af. Wat eigenlijk bedoeld werd, was: kunnen ze niet hetzelfde doen voor minder geld?’

Een moetje
In 1994 kwam Van Ast naar Wageningen om de verzelfstandiging van de DLO-instituten te regelen als directeur management van DLO. ‘Dat kost een jaar of drie, dacht ik toen. Uiteindelijk fietste de hele integratie met de Landbouwuniversiteit daar ook nog doorheen’. Minister Van Aartsen zette druk op de ketel, want hij wilde dat er nog tijdens zijn ministerschap een ‘onomkeerbare stap’ gezet zou worden. De samenwerking tussen DLO en universiteit kwam echter maar moeizaam van de grond erkent, Van Ast. ‘Het was een moetje, een verstandshuwelijk. Bij DLO hadden we het gevoel dat we nu ook nog de universiteit op sleeptouw moesten nemen, terwijl er op de universiteit al werd gezegd ‘dat we DLO er dan ook maar bij nemen’.’
Van Ast is ervan overtuigd dat de samenwerking er uiteindelijk toch kwam omdat hij als enige bestuurder bij DLO was achtergebleven en rector Cees Karssen als enige in het college van bestuur van de universiteit. ‘Daardoor was het mogelijk zonder gezichtsverlies één bestuur te vormen van drie Kezen met één opdracht voor twee organisaties’. Het werd een functionele integratie omdat voor echte fusie tussen beide rechtspersonen een wetswijziging noodzakelijk was. ‘Het is een situatie waarmee we tot de dag van vandaag hebben leren leven. Er is met de komst van Van Hall Larenstein nu zelfs sprake van drie cao’s. Het zou mij niet verbazen als men in de toekomst toch nog eens gaat proberen de fusie bij wet te regelen.’

Slopen
Als hem wordt gevraagd naar zijn verwachtingen voor Wageningen UR over tien jaar, neemt Van Ast nog even een slokje bier. ‘Dat is echt koffiedik kijken. Ik denk dat de universiteit gestaag zal doordraaien en voor het onderzoek zie ik wel een plekje aan de horizon’, schetst Van Ast. ‘Maar als we te veel op de postzegel van Nederland blijven zitten zullen we onherroepelijk kleiner worden.’
De instituten en het Praktijkonderzoek, die momenteel een aanzienlijke krimp doormaken, hebben volgens hem zeker overlevingkansen. De belangrijkste klant blijft volgens hem wel de rijksoverheid. Het zou hem echter niet verbazen als de instituutsstructuur in de toekomst verdwijnt. ‘Je kunt denken aan groepen die zich vormen rond leerstoelgroepen, waarbij de hoogleraar ook als een soort boegbeeld voor het marktonderzoek functioneert. Zo’n groep heeft helemaal geen behoefte aan een instituutsstructuur’. Zo’n constructie valt volgens Van Ast goed te rijmen met de grondgedachte achter Wageningen UR: de inhoudelijke expertise van beide organisaties zo dicht mogelijk bij elkaar brengen.
Naast de verzelfstandiging van DLO ziet Van Ast de totstandkoming van het volledig hernieuwde hotel-restaurant De Wereld en de nieuwbouwplannen op De Born als zijn persoonlijke erfstukken. ‘Als student zag ik een aantal gebouwen op De Dreijen verrijzen. Ik denk dat de nieuwbouw nu nodig is om weer aantrekkelijke eigentijdse onderwijsvoorzieningen te treffen, de efficiency in bedrijfsvoering te verbeteren en de universiteit en DLO in Wageningen ook fysiek bij elkaar te brengen.’
Van Ast heeft geleerd daarbij niet alleen aan bouwen te denken, maar ook aan slopen. ‘Zolang er in het meest aftandse gebouw nog een deur zit en ergens een lichtknop te vinden is, houden onderzoekers het anders gewoon in gebruik.’

Gert van Maanen, foto Guy Ackermans

Re:ageer