Organisatie - 6 december 2007

Min vijf

‘Ik zal je eens wat zeggen, Tijs.’
‘Ik ben één en al oor, Aalt.’
‘Met Plasterk aan het bewind maak ik me zorgen over de kwaliteit van het wetenschappelijk onderwijs.’
‘Ik ook, Aalt. Ik ook.’
‘Dat zo’n man zomaar besluit om de masters duurder te maken’, zegt Aalt Dijkhuizen. ‘Hij snapt niet hoe hard sommige mensen moeten knokken om hun academische opleiding te voltooien. Ik hoef alleen maar naar mezelf te kijken. Hoe hard ik heb moeten knokken om uit de sloppen van Vledder te komen.’
‘Wablief? Zijn er sloppen in Vledder?’, vraagt Breukink.
‘Meer dan in Bronkhorst, Tijs. Het was beregezellig in onze ouderlijke plaggenhut, maar we hadden het niet breed.’
‘In de hood van Bronkhorst waren we ook arm, Aalt’, zegt Breukink verbolgen. ‘Heel erg arm. Toen ik acht was moest ik werken in de steenfabriek.’
‘Toen ik vijf was stak ik turf’, zegt Dijkhuizen.
‘Ik had geen bed’, zegt Breukink. ‘Ik sliep op een stinkende zak stro die vroeger van mijn broertjes was geweest’
‘Ik had geen strozak, Tijs. Ik sliep op mijn broertjes.’
‘En het was koud in onze krotwoning’, gaat Breukink door. ‘Het werd ’s nachts min vijf. We hadden geen geld voor kolen. Ik had alleen de lichaamswarmte van m’n homies om me warm te houden.’
‘Bij ons was het ook min vijf’, zegt Dijkhuizen. ‘In de zomer. Dan sliepen we met de ramen open.’
‘Wij hadden thuis geen licht, stoere Aalt. Ik studeerde bij een flakkerend waxinelichtje.’
‘Waxinelichtjes kwamen bij ons alleen met het kerstdiner op tafel’, zegt Dijkhuizen. ‘Voor iedereen van het gezin was er een halve. Een feestmaal. We smulden ervan.’
Breukink stopt en monstert de leider der leiders. Dit ga ik niet winnen, denkt hij gelaten.
‘Ik denk niet dat Plasterk dat allemaal heeft meegemaakt’, zegt Breukink.
‘Dat zal wel niet’, zegt Dijkhuizen hoofdschuddend.

Re:ageer