Organisatie - 14 januari 2016

‘Mijn promotie gaat goed, maar...’

tekst:
Albert Sikkema,Rob Ramaker

Richard Visser is sinds 1 januari als Dean of Research verantwoordelijk voor de kwaliteit van het Wageningse promotieonderzoek. Met welke kwesties moet hij aan de slag? Zeven (oud-)promovendi geven de nieuwe Dean advies.

Chantal Vogels, Promovendus bij Entomologie

22-MI-ChantalVogels.jpg

‘Ik heb persoonlijk geen problemen met mijn promotie, maar ik zit in de Wageningen PhD Council en daar bespreken we op dit moment de adviezen van de internationale visitatiecommissies voor de onderzoekscholen. Zo hebben we het over supervisie. Doordat er steeds meer promovendi komen, wordt de druk op de begeleiders groter. Je moet als PhD-kandidaat soms vechten voor je tijd en dat komt de kwaliteit van het onderzoek niet ten goede. Ik denk dat de nieuwe Dean veel contact moet houden met promovendi van allerlei leerstoelgroepen, zodat hij kan nagaan of dit een WUR-breed probleem is of vooral bij bepaalde groepen voorkomt. Als een promotor geen goede supervisor is, moet je met hem in gesprek of bijvoorbeeld een cursus aanbieden.’

Tessa Brinker, Promovendus bij Fokkerij en Genetica

22-MI-tessa brinker.jpg

‘Het Wageningse PhD-traject is heel goed. De universiteit biedt veel structuur, je krijgt een overzicht wanneer je wat moet aanleveren, je krijgt cursussen en congressen. Nadeel is dat je moeilijk kunt afwijken van dit opleidingsplan. Ik ken promovendi met een andere achtergrond en vooropleiding die graag andere mastervakken willen volgen tijdens hun promotie. Die ruimte is nu beperkt. Verder is onduidelijk wat de selectieprocedure voor PhD-kandidaten is. De criteria zijn niet eenduidig voor de verschillende leerstoelgroepen, terwijl we allemaal dezelfde titel krijgen. Ik pleit voor meer transparantie.’

Christian Siderius, Promoveerde bij Milieueconomie

22-MI-Siderius.jpg

‘Ik ben een bijzonder geval, want ik werk bij Alterra en ben net gepromoveerd naast mijn werk. Dat was totaal geen probleem vanuit de universiteit. De twee hoogleraren bij wie ik promoveerde, toonden veel interesse in mijn onderzoek en de begeleiding was goed. Ik zie wel problemen bij Alterra. Je moet immers je projecten draaien en uren schrijven. Ik heb mazzel gehad, omdat ik een meerjarig project had. Dat gaf rust. Van anderen hoor ik dat het lastig is om als DLO’er te promoveren als je veel kleine projecten hebt. Ik denk dat de onderzoeksinstituten duidelijkheid moeten scheppen voor medewerkers die willen promoveren. Ga je voor projecten en acquisitie of is er ruimte voor wetenschappelijke ontwikkeling?’

Marjanneke Vijge, Promovendus bij Milieubeleid

22-MI-Vijge picture.jpg

‘Bij ons in de groep is het goed geregeld. We praten veel met elkaar als promovendi en hebben bijeenkomsten. Dat is waardevol, want je hebt een klankbord nodig als je bijvoorbeeld vastzit met schrijven. Dan helpt het ook om te praten met mensen die niet je begeleider zijn. Ik ben verbaasd dat de copromotoren vaak geen opleiding hebben gehad als begeleider. Ik krijg veel feedback op mijn papers, maar er is weinig gelegenheid om het begeleidingsproces en de onderlinge relatie te bespreken. Dat is een gemis. Veel promovendi hebben moeite met het begeleidingsproces. Lig je elkaar, snap je elkaar, is er een klik? Maar ook: hoeveel ondersteuning en sturing moet de begeleider geven? Ik heb daar zelf mee gestoeid toen ik masterstudenten begeleidde. Er zijn cursussen voor en ik vind dat die verplicht moeten zijn voor copromotoren en begeleiders, want promoveren is geen gemakkelijk proces.’

Bert van ’t Ooster, Promoveerde bij Farm Technology

22-bertvantooster.jpg

‘Ik werk al heel lang binnen Wageningen UR als docent. Het bleek goed mogelijk daarnaast te promoveren, omdat ik werd vrijgesteld van een deel van mijn werk. Er gaat heel veel goed bij de promotietrajecten, zeker als je het vergelijkt met midden jaren tachtig, toen ik begon aan Wageningen UR. Toen bestonden de onderzoekscholen nog niet en zaten promovendi bij individuele leerstoelgroepen. Ik heb daarom alleen kleine opmerkingen. Zo viel het me op dat er cultuurverschillen bestaan tussen onderzoekscholen. Het lijkt me goed dat bijvoorbeeld de kwaliteitsbeoordeling overal op dezelfde manier gebeurt. Bij andere promovendi merkte ik soms frustratie als een paper werd geweigerd door een tijdschrift. Dan werd weleens de beslissing genomen om voor een blad met een nog hogere impact te gaan, wat weer stress opleverde.’

Frederik Lech, Promoveerde bij Levensmiddelenchemie

22-Frederik_lech_groot.jpg

‘Wageningen heeft een behoorlijk goed systeem. Ik wist wat er van me werd verwacht en kreeg mogelijkheden om experimenten te doen en cursussen te volgen naast mijn werk. Het is een systeem dat zichzelf heeft bewezen en ik denk dat promoveren voor 90 procent van de mensen goed verloopt. Het lijkt me wel interessant om meer aan uitwisseling te doen. Ik had graag meer gehoord over de overkoepelende agenda van Wageningen UR en het werk van andere PhD-studenten en leerstoelgroepen. Dat kan misschien op speciale symposia of PhD-dagen. Verder leren PhD-studenten nu vooral op een traditionele manier te communiceren over wetenschap, via posters, patentaanvragen en wetenschappelijke artikelen. Er zijn ook andere manieren van wetenschapscommunicatie, meer gericht op het algemene publiek.’

22-MurielVerain-1.jpg

Muriel Verain, Promoveerde bij Economie van consumenten en huishoudens

‘De regels over het proefschrift kunnen transparanter. Zo mag er geen portretfoto op de achterkant staan en mogen de stellingen maar één zin lang zijn en niet over de koning gaan. Omdat deze voorschriften niet in het promotiereglement staan, moet iedere PhD-student ze opnieuw uitvinden. Inmiddels bestaat er een cursus over de last stretch van de PhD. Dat is een stap in de goede richting.’


Re:ageer