Wetenschap - 24 oktober 2002

Mieren meten de kwaliteit van natuur

Mieren meten de kwaliteit van natuur

De kwaliteit van een natuurgebied kan worden afgelezen uit het al of niet voorkomen van mierennesten. De nesten van een steekmier wijzen bijvoorbeeld op het voorkomen van dagvlinders.

Ecoloog dr Bram Mabelis van Alterra inventariseerde in opdracht van het programma Monitoring Kwaliteit Groene Ruimte van het ministerie van LNV hoe mieren gebruikt kunnen worden als monitoringsinstrument. Een van de vereisten is dat de mieren door natuurbeheerders makkelijk zijn te vinden en te determineren. In bossen zijn bijvoorbeeld rode bosmieren geschikt, op graslanden gele weidemieren, op heideterreinen zaadmieren en roofmieren, en op hoogveengebieden veenmieren.

Mieren geven op drie manieren een indicatie van de biodiversiteit van een gebied. Kleinere mierensoorten kunnen gebruikt worden om te volgen hoe het staat met de vermesting, verdroging of verontreiniging van natuurgebieden. Kleinere soorten als de gele weidemier kunnen zich goed verbreiden en koloniseren relatief makkelijk nieuwe gebieden. Andere mierensoorten zijn weer te gebruiken als aanwijzing dat het natuurgebied versnippert. Dat zijn vaak mieren die zich moeilijk verbreiden, zoals de in Europa beschermde rode bosmier. Steekmieren leveren de meest directe informatie. Komen er veel nesten van deze soort voor in een grasland, dan zullen er ook dagvlinders leven van de familie Lycaenidae, zoals de sleedoornpage en het heideblauwtje. | M.W.

Re:ageer