Wetenschap - 14 maart 2013

‘Mestnorm voor hoogproductieve boeren moet omhoog’

Hoogproductieve boeren moeten meer mest en kunstmest op hun bedrijf kunnen gebruiken dan laagproductieve collega’s. Dat stelt Oene Oenema, hoogleraar Nutriëntenmanagement en bodemvruchtbaarheid. ‘Er moet meer aandacht komen in het mestbeleid voor de diversiteit in de praktijk.’

mestnorm-Van-den-Akker-800x531.jpg
Vorige week debatteerde de Tweede Kamer over het mestbeleid. Boerenorganisaties pleiten voor ruimere mestnormen, omdat de bodemvruchtbaarheid zou afnemen. Verschillende Kamerfracties voelen wel wat voor zo'n differentiatie en staatssecretaris Sharon Dijksma gaat nu met de Europese Commissie overleggen of en in welke gevallen boeren meer mest op hun land mogen uitrijden. Nederland kampt met een mestoverschot.
Gebruiken de boeren nu te weinig mest, waardoor de bodemvruchtbaarheid in Nederland afneemt? Gemiddeld genomen daalt de bodemvruchtbaarheid niet, zegt Oenema, maar er zijn uitzonderingen. Hoogproductieve melkveehouders leggen jaarlijks meer stikstof en fosfaat vast in de vorm van gras dan ze mogen gebruiken in de vorm van mest en kunstmest. Per saldo daalt daarmee de bodemvruchtbaarheid. 'Dan zie je soms kanariegeel gras in het najaar, wat kan duiden op stikstofgebrek', zegt Oenema.
De gebruiksnormen voor stikstof en fosfaat zijn generieke normen. Ze zijn wel verschillend per gewas (gras, mais of aardappel) en bodem (zand, klei of veen), maar niet per opbrengst van de boer. Zo zijn de gebruiksnormen voor grasland globaal voldoende voor een gemiddelde grasopbrengst van 10 ton droge stof per hectare. De gemiddelde boer doet daarmee aan evenwichtsbemesting, zodat er maar weinig meststoffen wegspoelen naar het oppervlaktewater. Dat was het doel van de mestwetgeving. Maar er zijn hoogproductieve boeren die 14 ton droge stof van een hectare halen, weet Oenema, en die komen nu in de problemen. 'Ik verwacht dat we in de toekomst opbrengst-afhankelijke mestnormen voor grasland krijgen.'
Stikstof is maar een van de belangrijke voedingsstoffen in de bodem voor plant, dier en mens die de bodemvruchtbaarheid bepalen. In totaal gaat het om 22 essentiƫle voedingsstoffen voor mens en dier, doceert Oenema, waarvan de plant er 14 nodig heeft. Daartoe behoren ook stoffen als selenium, koper, zink en ijzer. Slechts twee van deze stoffen zijn gereguleerd: stikstof en fosfaat. Ook voor fosfaat geldt een norm die bij gemiddeld gebruik leidt tot evenwichtsbemesting. Dus ook hier geldt dat hoogproductieve boeren meer fosfaat aan de bodem onttrekken dan ze toedienen. De bodem heeft echter een enorme buffer aan fosfaat, zodat er niet snel fosfaattekort optreedt bij deze boeren, zegt Oenema.
De gebruiksnormen worden vastgesteld door de minister, in overleg met de landbouwsector en Brussel. De normen voor stikstof zijn afgeleid van bemestingsadviezen, waarbij commissies vaststellen bij welke mestgift een gewas de optimale opbrengst haalt. In sommige gevallen is de gebruiksnorm lager dan het advies, zegt Oenema, om het nitraatgehalte in het grond- en oppervlaktewater te verminderen. 
 
 

Re:ageer