Wetenschap - 14 februari 2002

Mensenwerk: Dr Frans Nijdam, geboren in 1901, de oudst levende Wageningse afgestudeerde

Mensenwerk: Dr Frans Nijdam, geboren in 1901, de oudst levende Wageningse afgestudeerde

'Ceres was voor feestneuzen, Bondsstudenten hadden meer idealen'

Tot zijn verbazing ontving dr Frans Egbert Nijdam op 27 januari een boeket bloemen van Wageningen UR. Dit ter gelegenheid van zijn honderdeerste verjaardag. Wageningen vierde de vijfentwintigduizendste afgestudeerde, en uit de archieven bleek Nijdam Wagenings oudste afgestudeerde te zijn, en wel met twee maal cum laude: bij zijn ingenieursexamen in 1925 en bij zijn promotie in 1932.

In zijn huis aan de Belmontelaan vertelt Nijdam, nog helder van geest, een sigaar tussen de vingers, enkele anekdotes over die lang vervlogen tijd, toen de Landbouwhogeschool nog maar pas die titel had verworven. "Ik ben wel veel vergeten," verklaart Nijdam. "Maar ik ben dankbaar voor hetgeen ik heb onthouden."

In 1920 kwam Nijdam vanuit Groningen naar Wageningen om zich in te schrijven voor 'de Nederlandse Landbouw 1, 2, 3 en 4.' Ondanks het feit dat hij een jaar miste doordat een nier moest worden weggenomen, studeerde hij toch in vijf jaar af.

Het geheugen speelt graag spelletjes met ons en af en toe springen herinneringen op als duveltjes uit diverse doosjes. Met Multatuli zeg ik dus: 'Heb geduld brave lezer', want de volgorde van het gesprek was niet altijd even logisch. Wel was het heel vermakelijk. Gevoel voor humor gaat blijkbaar nooit verloren.

Toen de Landbouwhogeschool in 1918 haar nieuwe naam kreeg, waren er nog geen professoren, maar docenten. Alleen de beroemde professor Van Uven, die aan de wieg stond van de Wageningse Studenten Koor en Orkest Vereniging, had recht op de titel, omdat hij van de universiteit van Utrecht kwam. "Een hooghartige man!" concludeert Nijdam en passant. Hij vindt de titel 'universiteit' maar niets. "Wageningen heeft maar ??n faculteit, een universiteit heeft er meer!" zegt hij streng. Hij houdt niet van poespas en kan zich nog echt verkneukelen over lieden die in die tijd de titel 'professor' bijna als een banier voor zich uitdroegen.

"Zo was er een omhooggeklommen veearts uit Utrecht, die daar zeer trots op was. Hij gaf het college Hygi?ne en anatomie van landbouwhuisdieren en kwam altijd heel langzaam schrijdend de collegezaal binnen, met een dikke foliant onder de arm. Daar zat een dun boekje in van de Veeartsenijschool in Utrecht. Daar gaf hij zijn colleges uit."

Nijdam lacht ironisch. "Dat was altijd gauw klaar. Daarna vertelde hij graag schuine moppen. Toch moest hij ook blijk geven van goed wetenschappelijk werk en sprak daartoe de Latijnse naam uit van een spier bij het paard, de 'musculus-sterno-cleido-mastoideus'. Hij legde nooit uit wat dat was, maar het klonk zeer wetenschappelijk."

Er waren in Nijdams tijd maar drie vrouwelijke studenten; ze werden overigens met respect bejegend.

Over de 'zeer eigenzinnige professor Giltay' weet Nijdam te vertellen, dat deze bondigheid hoog in het vaandel had. Bij een examen plantkunde vroeg hij steevast: 'Kan een cel gedeeltelijk sterven?' "Als je zijn colleges had gevolgd, kon je dat weten. Ik was bij die colleges niet geweest, maar had van een medestudent gehoord, dat daar maar ??n antwoord op was dat Giltay goedkeurde: Ja!" Nijdam lacht smakelijk om de herinnering.

Sommige docenten bleven 'meneer' en werden geen prof. Zoals de leraar handtekenen en de tuinarchitect. Zeer tot verdriet van hunne dames, die graag als 'mevrouw Professor' werden aangesproken. Protest hielp niet. Alleen de belangrijkste richtingen verdienden de proffen-titel.

Nijdam was lid van de Studentenbond, die mordicus tegen de Corpstraditie van ontgroenen was. Er was destijds een 'specifieke bondsmentaliteit' gegroeid: "Ceres was voor de feestneuzen, voor de rijke jongens. De Bondsstudenten hadden meer idealen."

Een jaar na zijn afstuderen kreeg Nijdam een baan als leraar aan de Middelbare Koloniale Landbouwschool in Deventer. Daar deed hij onderzoek voor zijn proefschrift over kruisingen met rode klaver. In zijn proefschrift kom je bekende namen tegen als Broekema, Aberson, Mayer Gmelin, waarnaar later straten in Wageningen zijn vernoemd.

In 1942 kwam Frans Nijdam weer naar Wageningen als adjunct-directeur van het Instituut voor Rassenonderzoek (IVRO). In 1957 werd hij directeur van de Stichting voor Plantenveredeling (SVP). Na de koninklijke onderscheiding in 1958, Officier van Oranje Nassau, is zijn grote trots nog altijd het feit dat hij in 1961 naar Parijs mocht om namens de Nederlandse regering de Conventie van Parijs betreffende het veelbesproken kwekersrecht te ondertekenen.

De sigaar verbiedt de dokter hem allang niet meer, maar zijn verzorgster is streng: "Kom, meneer moet nodig even lopen, hij zit al veel te lang stil."

Lydia Wubbenhorst

De honderdeenjarige Frans Nijdam vindt het niet terecht dat de Landbouwhogeschool de titel universiteit voert.

Foto Guy Ackermans

Re:ageer