Nieuws - 16 juni 2015

Meeste bijen nutteloos voor landbouw

tekst:
Roelof Kleis

De bestuiving van landbouwgewassen is het werk van slechts een handjevol bijensoorten. De rest is economisch gezien nutteloos. Economisch nut is daarom een onvoldoende argument voor natuurbeheer.

Andrena ranunculi, een van de zeldzame bijen die nauwelijks bijdragen aan bestuiving van landbouwgewassen. Foto: Nico Vereecken

Dat betoogt een internationale groep wetenschappers onder leiding van ecoloog David Kleijn, die binnenkort aantreedt als hoogleraar Plantenecologie en natuurbeheer in Wageningen. De publicatie verscheen op 16 juni in Nature Communications.

Bijen zijn belangrijk voor de bestuiving van gewassen. Die natuurlijke dienst leveren bijen gratis, maar is van onschatbare waarde. Kleijn en zijn groep rekenden het op basis van negentig studies aan bijna 1400 veldjes met gewassen wereldwijd precies uit. Wilde bijen dragen gemiddeld 3000 dollar per hectare bij aan de opbrengst van een gewas waarvoor bestuiving nodig is. Dat is zelfs nog net iets meer dan de bijdrage van honingbijen, die tot voor kort werden beschouwd als de belangrijkste bestuivers.

Op de onderzochte velden (met o.a. koolzaad, zonnebloemen, aardbeien, appels en peren) werden 785 soorten bijen aangetroffen. Dat lijkt veel, maar is nog geen dertien procent van alle bekende bijensoorten in de onderzochte gebieden. Slechts twee procent van de aangetroffen soorten bleek verantwoordelijk voor tachtig procent van de bestuiving. Dat zijn dus, zeg maar, de echte werkbijen. Kleijn: ‘Enkele tientallen soorten algemeen voorkomende wilde bijen domineren de gewasbestuiving. Zeldzame soorten dragen daar nauwelijks aan bij.’

Soortbescherming blijft onverminderd belangrijk
David Kleijn

Uit economische oogpunt zijn de meeste wilde bijen dus waardeloos. Daarmee vervalt een belangrijk en veelgebruikt argument om dit deel van de diversiteit aan wilde bijen te beschermen: hun nut als bestuiver van landbouwgewassen. Bestuiving alleen is volgens Kleijn een onvoldoende argument om natuur te beschermen. Daarvoor zijn ook andere, meer morele argumenten nodig. Daar komt bij dat algemene soorten relatief makkelijk zijn te beschermen. Een strook bloemen langs de akker doet vaak al wonderen. Voor veel zeldzamere soorten is dat niet voldoende.

Volgens Kleijn wordt door beleidsmakers en sommige biologen teveel de nadruk gelegd op de diensten die de natuur levert. ‘Zeldzame soorten mogen dan economisch een minder relevante rol spelen dan algemene soorten, maar dat betekent niet dat bescherming ervan minder relevant is. Soortbescherming blijft onverminderd belangrijk. Het is net als in het voetbal: 99,9 procent van de voetballers is recreant. Die voetballen omdat ze het leuk vinden. Dat plezier is niet direct in geld uit te drukken. Profvoetballers leveren geld op. Maar moet je het amateurvoetbal daarom afschaffen?’