Wetenschap - 1 januari 1970

Meer keuze maakt voedsel flink duurder

Binnen drie maanden moet er op producten in Europese winkels etiketten zitten die aangeven of er gengewassen in het product verwerkt zitten. Maar een verplicht etiket zal de keuze van consumenten niet vergroten, stellen economen van het LEI. Want de kosten van het scheiden van genetisch veranderde gewassen en gewone gewassen zullen zo hoog zijn dat het bieden van de keuze waarschijnlijk niet rendabel is. Economen van de universiteit zien wel brood in etiketteren, omdat het tot meer welvaart leidt. Ontwikkelingssocioloog dr Gerard Verschoor twijfelt hieraan.

Per april 2004 moeten etiketten op producten aangeven of er genetisch veranderde gewassen in het product zitten. Door die etikettering wil de Europese Commissie consumenten zelf de keuze geven voor of tegen genetisch gemanipuleerde gewassen (gg-gewassen). Het is een van de maatregelen waarmee de Commissie het vertrouwen onder consumenten wil vergroten. En draagvlak wil maken voor teelt en toelating van gengewassen tot de Europese markt. Wie er tegen is, kan er immers zelf voor kiezen ze niet te kopen. Daarmee, vindt de Commissie, kan ze ook het de facto moratorium op gengewassen in 2004 opheffen. En mag Amerika, waar gentechnologie veel meer geaccepteerd wordt, gengewassen naar de EU gaan exporteren. Met deze oplossing hoopt de Commissie het handelsconflict op te lossen tussen de VS en de EU over de toelating van gg-gewassen. Ook is de Commissie bezorgd dat Europa anders de boot mist in de revolutie van de biotechnologie ten opzichte van Amerika.
Vorige week kwamen er twee artikelen uit over etiketteren van gg-producten in Economische Statistische Berichten, leidraad voor beleidsmakers in Nederland. Beide van de hand van auteurs van Wageningen UR, maar met verschillende boodschappen.

Kruisbestuiving
Drs Derek Eaton en dr Frank van Tongeren, beiden van het Landbouw Economisch Instituut, stellen dat etikettering de keuze van consumenten eerder verkleint dan vergroot. Probleem zijn de hoge kosten van scheiding van gg-producten van gewone producten. In het hele productieproces kunnen er sporen van gg-materiaal bij gewone producten komen. Tijdens de teelt van gewassen is er het risico van bestuiving van gewone gewassen met genetisch veranderde gewassen. Velden mogen dus niet in elkaars nabijheid liggen, en zelfs dan is het nog onduidelijk of kruisbestuiving sowieso voorkomen kan worden. Maar ook in de verwerking, distributie en opslag van producten kunnen resten van gg-producten vermengen met gewone producten. Wanneer bijvoorbeeld een gg-product over een transportband en door een opslag heen is gegaan, moet alles grondig schoongemaakt worden voordat een gewoon product er doorheen mag. Dat kost op zich al veel geld. De Commissie stelde bovendien, in haar ijver het vertrouwen van consumenten te winnen, strenge regels op over de scheiding.
Als een product voor gg-vrij wil doorgaan, moeten producenten aantonen dat er niet meer gg-sporen in zitten dan 0,9 procent. Als dat zo is, dan hoeft het product geen etiket te dragen. Alleen gg-bevattende producten moeten van een etiket voorzien zijn. Dit betekent dat producenten van gg-vrij toch kosten moeten maken om te laten zien dat ze onder de drempelwaarde vallen. Niet alleen die drempel, vooral het aantonen daarvan brengt kosten met zich mee. Dat vereist dat in de hele productieketen het product te traceren is. Niet alleen de boer, ook alle verwerkers moeten weten of er gg-sporen in zitten. Ze moeten het testen en moeten daar schriftelijk verslag van doen aan de volgende schakel in de keten. Ten slotte zullen supermarkten ook nog extra kosten moeten maken voor het in de markt zetten van een extra variant aan producten.
Vervuiler betaalt
Gevolg is dat alle voedsel fors duurder zal worden, ook het conventionele voedsel. Want niet alleen gg-producenten moeten hun product in de gaten houden, ook gg-vrije-producenten moeten kunnen aantonen dat hun product gg-vrij is. De extra kosten door etiketteren verschillen per gewas en per land, en voor veel situaties is het nog onbekend. Voor Canadees graan zijn ze geschat op 38 procent van de huidige productieprijs, waardoor consumenten 10 procent meer voor hun dagelijks brood zouden moeten gaan betalen. Onderzoekers schatten dat het scheiden van oliehoudende zaden op boerderijen in Frankrijk en Duitsland 16 procent van de huidige kosten vraagt, maar over de verwerking en transport daarvan is bijvoorbeeld nog niets bekend.
Telers en verwerkers kunnen voordeel hebben van gg-gewassen, bijvoorbeeld omdat ze mooiere producten leveren of minder pesticiden hoeven te gebruiken. Maar wanneer telers overstappen op gg-gewassen, moeten andere telers, en hun verwerkers, kosten maken om gg-vrij te kunnen blijven telen. Ook vanuit het oogpunt van consumenten is het vreemd dat mensen die geen gg-gewassen willen eten, wel meer moeten gaan betalen omdat anderen wel gg-gewassen willen eten. Economen noemen dit een externaliteit. Iemand moet betalen voor het voordeel van een ander.
Dat vond ook de Europese Commissie niet eerlijk. Ze denkt er daarom aan om overheden het recht te geven niet-gg-boeren te compenseren. Maar ook dat is vreemd, want dan betaalt de overheid de schade die veroorzaakt wordt door gg-producenten. Minister Veerman heeft een ander idee. Hij wil telers van gg-gewassen wettelijk aansprakelijk maken voor schade aan niet gg-producenten. Dan kunnen zij de gg-producenten voor de rechter slepen bij kruisbestuiving van hun velden door gg-gewassen. Economisch gezien is dat logischer. De vervuiler betaalt. De kosten van gg-produceren komen terecht in de prijs van het gg-product, dat duurder en daardoor minder aantrekkelijk wordt. Probleem is alleen, vinden Eaton en Van Tongeren, dat deze maatregelen alleen gelden voor de primaire productie en niet voor verwerking. Een andere probleem is hoe deze aansprakelijkheid in de praktijk zou werken. Daarom wordt momenteel uitgezocht of deze optie praktisch uitvoerbaar is. Consumenten die gg-vrij willen blijven eten, blijven dus een premie betalen.

Welvaart
De hoge kosten van scheiding kunnen leiden tot minder keuze voor consumenten, in plaats van meer, waar de operatie van het etiketteren toch om begonnen was. Op korte termijn, en dat gebeurt nu al, zullen voedselverwerkers en supermarkten sowieso afzien van gg-producten, om zo de kosten van scheiding te voorkomen. Dat levert niet meer keuze op. Worden gg-producten op langere termijn wel verkocht, dan is de kans groot dat de conventionele gg-vrije teelt niet meer rendabel zal zijn. Want als de scheidingskosten zo hoog blijken dat het product net zo duur wordt als biologische producten, dan kiezen consumenten die gg-vrij willen eten waarschijnlijk voor biologisch. De conventionele, gg-vrije teelt zal dan verdwijnen. De enige keuze die de consument dan nog heeft is tussen biologische of gg-producten.
Dr Roel Jongeneel en prof. Eli Feinerman, de eerste docent bij de leerstoelgroep Agrarische economie en plattelandsbeleid en de tweede hoogleraar aan de Hebrew University in Israël en visiting professor bij de Wageningse Mansholt Graduate School, denken dat etikettering wel tot meer welvaart gaat leiden. De studies zijn niet helemaal te vergelijken, want Jongeneel en Feinerman keken alleen naar soja, een belangrijk gg-gewas. Zij gebruikten een model waarin rekening wordt gehouden met verschil in de houding van consumenten ten aanzien van gg-producten. Etikettering leidt tot vergroting van de keuzemogelijkheden van de consument, en heeft in dat geval een positief effect op de welvaart. Jongeneel en Feinerman vertaalden de grotere keuzevrijheid in een geldwaarde door te onderzoeken wat mensen zouden willen betalen voor gg-vrij voedsel als ze daarmee zeker zijn geen gg-voedsel te eten. Veel mensen zeggen daar niks voor over te hebben, maar sommigen wel. Felle critici zouden zonder etiketteren sowieso geen soja kopen, en gaan dat met etikettering wel doen.. Hoewel etikettering een hogere prijs veroorzaakt door de kosten van scheiding, bleek het positieve effect van keuzevrijheid voor de consumenten in Europa zwaarder te wegen dan het negatieve effect van prijsstijging. Maar etikettering is nadeling voor consumenten buiten Europa, legt Jongeneel uit, omdat consumenten daar het meestal niet belangrijk vinden of ze gg- of gg-vrij eten. Ze hebben dus geen extra geld over voor gg-vrij, maar moeten wel de algemene prijsverhoging van het scheiden van de stromen betalen. Voor producenten is etikettering voordelig, stelt Jongeneel, mits de scheidingskosten maar niet te hoog worden. Dat komt vooral door de hogere prijs die wordt betaald voor gg-vrije soja.

Exportbarrière
Dat laatste betwijfelt ontwikkelingssocioloog dr. Gerard Verschoor. Een van de punten van kritiek die hij aanvoert, en waar de economen het grofweg mee eens zijn, is dat etikettering een nieuwe technische barrière voor export van ontwikkelingslanden naar Europa gaat worden. Voor Europese producenten is het makkelijker om 0,9 procent gg-sporen aan te tonen dan voor boeren en verwerkers in ontwikkelingslanden. Bovendien komen de kosten van scheiding vooral bij hen te liggen. Jongeneel bevestigt dat: voor soja worden de scheidingskosten grofweg voor 80% op de boeren afgewenteld en voor 20% op consumenten. Verschoor voegt daar aan toe dat een zelfde bedrag voor een Mexicaanse producent relatief meer is dan voor een Europese producent. Ook Eaton zegt dat etikettering, net als eisen aan voedselveiligheid, het producenten in ontwikkelingslanden moeilijker maakt naar Europa te exporteren.

Joris Tielens

Re:ageer