Wetenschap - 1 januari 1970

Medefinanciering op de schop?

Medefinanciering op de schop?

Medefinanciering op de schop?


De ontwikkelingsorganisaties Novib, Cordaid, Icco en Hivos, die mede door
de overheid gefinancierd worden, hebben jarenlang voor het grootste
gedeelte zelf hun beleid en financiering bepaald. Dat moet anders, oordeelt
een commissie onder leiding van oud-Wagenings onderzoeker prof. Louk de la
Rive Box. Het ‘ontwikkelingskartel’ van medefinancieringsorganisaties moet
openstaan voor andere organisaties, en ambtenaren van het ministerie van
Buitenlandse Zaken moeten hun grip op het beleid heroveren. De commissie
was ingesteld door oud-minister Eveline Herfkens, maar ook staatssecretaris
Agnes van Ardenne wil de conclusies ervan overnemen. Goed idee?

Dr. Ruerd Ruben, wetenschappelijk hoofdmedewerker leerstoelgroep
Ontwikkelingseconomie en projectleider Internationalisering Wageningen UR:

,,Het is op zich een goede zaak dat de Nederlandse
medefinancieringsorganisaties (MFO’s) nu eens op de kwaliteit van hun
projecten worden afgerekend. Jarenlang hadden zij gegarandeerd toegang tot
een vast deel van de fondsen voor ontwikkelingssamenwerking, zonder dat
daarover veel controle werd uitgeoefend. Het is de hoogste tijd dat de
overstap van inputfinanciering naar afrekening op bereikte resultaten wordt
gemaakt.
De staatssecretaris wil deze overgang vooral bereiken door het systeem open
te stellen voor meerdere deelnemers en concurrentie in te voeren. Dat lijkt
redelijk, mede omdat de traditionele organisaties steeds minder op hun
traditionele achterban kunnen rekenen, en nieuwe spelers zoals Plan
Nederland en Terre des Hommes terecht aanspraak maken op deelname. Vreemd
genoeg wordt er nog nauwelijks gekeken naar de capaciteit van organisaties
om zelf middelen te mobiliseren.
De rol van de MFO’s in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid blijft echter
ambivalent. Enerzijds worden zij beschouwd als het kanaal om bij te dragen
aan de versterking van maatschappelijke organisaties in de
ontwikkelingslanden. Anderzijds worden zij echter steeds meer ingeschakeld
in het officiële beleid. Ambassades kregen meer vrijheid om het
ontwikkelingsbeleid in overleg met lokale organisaties te vullen en
gebruiken daarbij sectorhulp om directe relaties aan te gaan met de
partners van de MFO’s. In het nieuwe landenbeleid waarin gerichte
armoedebestrijding centraal staat, zijn de grenzen tussen overheid, private
sector en NGO’s steeds meer aan het vervagen.
Daardoor ontstaat toenemende onduidelijkheid over de rol van Nederlandse
MFO’s. Zij schieten nogal eens tekort bij het waarborgen van de kwaliteit
van ontwikkelingsprojecten. Ook controle op de financiën en de bereikte
resultaten kan beter. Wordt het nu beter als ambtenaren hierin een grotere
rol gaan spelen? Dat valt zeer te betwijfelen, want hiervoor ontbreekt de
benodigde expertise. Het was beter geweest als de MFO’s waren aangezet tot
professionalisering, waarbij elke organisatie zich op enkele gebieden zou
specialiseren.
Deze hele discussie lijkt het wetenschappelijk onderzoek naar de ‘civil
society’ in ontwikkelingsprojecten nieuw leven in te blazen. De
staatssecretaris kijkt hierbij vooral naar de Angelsaksische wereld, maar
het zou zeer de moeite waard zijn haar ook eens te wijzen op de vele
uitstekende onderzoeksprojecten die door Wageningse groepen op dit terrein
worden uitgevoerd.’’ |
Joris Tielens

Re:ageer