Organisatie - 1 januari 1970

Matching remt excellent onderzoek

De gangbare praktijk dat kennisinstellingen zelf geld moeten investeren in onderzoek om in aanmerking te komen voor subsidies, moet op de helling. Vooral goede onderzoeksgroepen dreigen door dit matchingsprincipe aan hun eigen succes ten onder te gaan. Dat schrijft de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologieberaad (AWT) in het rapport ‘De prijs van succes’ dat zij vrijdag 16 april uitbracht.

Onderzoeksfinanciers als NWO of de Europese Unie vergoeden vaak maar een deel van de totale onderzoekskosten en verwachten dat de instellingen de rest aanvullen (‘matchen’) uit eigen middelen. Deze koppeling heeft grote gevolgen voor de onderzoeksinstellingen, zo blijkt uit het AWT-rapport. Externe financiers vergoeden gemiddeld genomen maar 54 procent van de totale kosten van het ‘gesubsidieerde’ onderzoek, en kennisinstellingen nemen de overige 46 procent voor hun rekening. Anders gezegd: voor elke euro die zij ontvangen, moeten zij 84 eurocent bijpassen. Deze eigen bijdrage moeten zij bekostigen uit de eigen basisfinanciering (de ‘eerste geldstroom’) terwijl de omvang hiervan steeds kleiner wordt.
AWT liet een onderzoek uitvoeren naar de praktijk van matching bij vijf universiteiten (die van Eindhoven, Twente, Tilburg, Utrecht en Wageningen) en een onderzoeksinstituut (het Amsterdamse Centrum voor Wiskunde en Informatica). Hieruit blijkt dat de Universiteit Twente maar liefst 71 procent van de eigen middelen – na aftrek van onderwijskosten – uitgeeft aan matching, terwijl Wageningen Universiteit het beste af lijkt te zijn met ‘slechts’ 25 procent.
Drs Jan Dijk, stafdirecteur Onderzoek van Wageningen UR, denkt dat het matchingpercentage voor Wageningen relatief laag is ingeschat in het rapport, maar het gaat volgens hem in absolute zin in ieder geval om aanzienlijke bedragen (22 miljoen euro).
Hij onderschrijft de AWT-conclusie dat met name excellente groepen door hun succes bij het aantrekken van onderzoekssubsidies in een negatieve spiraal terechtkomen. In het huidige bekostigingmodel voor universitair onderzoek is de omvang van de eerste geldstroommiddelen ook niet gekoppeld aan het succes bij het verwerven van onderzoekssubsidies en contractonderzoek. ,,Er blijft steeds minder geld over om de infrastructuur voor het lopende onderzoek te waarborgen’’, aldus Dijk. De situatie is volgens hem overigens nog nijpender bij de instituten, die op grote schaal participeren in het zogeheten Zesde Kaderprogramma van de EU en het nationale Bsik-programma ter versterking van de Nederlandse kennisinfrastructuur. Dijk: ,,De verplichtingen die nu al zijn aangegaan om deze subsidies te matchen zijn omvangrijker dan het vrij besteedbare geld dat wij van het ministerie van landbouw krijgen als zogeheten kennisbasis. Als we niet de afspraak zouden hebben dat de omvang van de kennisbasis de komende jaren zal verdubbelen, dan zaten we nu al in de situatie dat we onderzoeksopdrachten zouden moeten teruggeven. Hoe je het ook wendt of keert: de huidige wijze van financiering zet een forse rem op het verwerven van onderzoeksopdrachten.’’ | G.v.M.

Re:ageer