Wetenschap - 1 januari 1970

Markt landbouwkundig onderzoek functioneert gebrekkig

Markt landbouwkundig onderzoek functioneert gebrekkig

Markt landbouwkundig onderzoek functioneert gebrekkig

De instituten van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek moeten weliswaar steeds meer geld uit de markt halen, maar in feite functioneert de markt van landbouwkundig onderzoek niet. Dat concluderen de economen ir Johannes Roseboom van het International Service for National Agricultural Research (ISNAR) en ir Hans Rutten van de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek (NRLO) in een publicatie voor World Development


De economen analyseerden hoe het Nederlandse systeem van landbouwkundig onderzoek afgelopen jaren is veranderd. In 1970 financierde het toenmalige ministerie van Landbouw en Visserij behalve de Landbouwuniversiteit en de proefstations nog zo'n dertig onderzoeksinstituten met elkaar overlappende taken. Het onderzoek in deze instituten kenmerkte zich door een logge bureaucratie, waarbij het ministerie nauwelijks eisen stelde aan de output van het onderzoek, maar wel precies definieerde waar het geld aan moest worden uitgegeven

De laatste 25 jaar, aldus de auteurs, kan worden gekarakteriseerd als een continu proces van bezuinigingen, reorganisaties en fusies. Uit de cijfers blijkt dat de landbouwkundige instituten, die vallen onder de Dienst Landbouwkundig Onderzoek, in 1996 samen nog net zoveel overheidsgeld kregen als in het topjaar 1976. Vooral in de jaren na 1984 en na 1994 hebben de instituten flink moeten bezuinigen. In 1986 besloot het parlement DLO te privatiseren en ging het ministerie van LNV eisen stellen aan de output. Dit leidde dit tot het streven naar een bedrijfsmatiger cultuur, en het zoeken naar ook andere financiers dan LNV

Probleem is nu dat DLO weliswaar een marktconform bedrijf moet worden, licht Roseboom toe, maar dat er, als het gaat om onderzoek dat niet direct interessant is voor het bedrijfsleven, geen echte markt is. Dit geldt in het bijzonder voor het onderzoek naar de groene ruimte. Een echte markt zou betekenen dat LNV daar onderzoek koopt waar de prijs-kwaliteitverhouding optimaal is. Het zou voor het ministerie niet moeten uitmaken wie het doet: DLO, de LUW, TNO of zelfs een buitenlands instituut. Maar het ministerie zal niet makkelijk naar een buitenlands instituut stappen. In Nederland heeft het echter niet zoveel keus. En met de fusie van DLO en de LUW komt het nog dichter bij een situatie waarin je maar oon vrager en oon aanbieder hebt.

Winkelen

Probleem van een monopoliepositie in het landbouwkundig onderzoek is dat er geen automatische controle is op de prijs-kwaliteitverhouding. Er is immers nauwelijks concurrentie. Ander probleem is dat het lastig is om een prijs vast te stellen, want die kan in zo'n geval niet worden bepaald door de wet van vraag en aanbod

Go Toen van de financiële afdeling van het Directoraat Wetenschap, Kennisoverdracht en Technologie (DWKT) van LNV erkent dat zijn ministerie niet zomaar onderzoek in Frankrijk of Zweden zal uitzetten. Op dit moment zou dat immers een gevaar kunnen opleveren voor de continuïteit van DLO. De situatie is nog lang niet zo dat er al geshopt wordt. Maar hij sluit niet uit dat LNV in de toekomst wel in het buitenland gaat winkelen. De nieuwe structuur heeft dit in ieder geval mogelijk gemaakt

Roseboom schetst een prisoner's dilemma. DLO wil op een internationale markt opereren; het wil concurreren met andere landbouwkundige instituten. Maar ook de overheden in het buitenland willen alleen onderzoek in hun eigen instituten financieren. Zolang DLO echter nog niet op een internationale markt kan functioneren, zal LNV de voorkeur blijven geven aan het Nederlands onderzoek om de continuïteit van de instituten niet in gevaar te brengen

Roseboom: Of dat verandert zal afhangen van de EU. Die moet zeggen: Wij gaan het concurrentiebeding uitbreiden naar de dienstensector. Dan kunnen er interessante dingen gebeuren. Het zou dan inderdaad zo kunnen lopen dat het ATO-DLO stukken van het Franse landbouwinstituut INRA opkoopt. Maar dan moeten we dus eerst van dat nationalistisch denken af. Dat gebeurt op sommige plaatsen al wel. Er zijn regeringen die langzamerhand de voordelen van uitbesteden gaan beseffen. Sommige ontwikkelingslanden zeggen al: Het opzetten van een biotechnologisch lab is zo kostbaar, we kunnen ons onderzoek beter in Amerika laten doen. Logisch ook. Zij hebben ook geen geld om expertise op te bouwen, terwijl ze de resultaten wel goed kunnen gebruiken.

De instituten die onderzoek doen naar efficiëntere verwerking van plantaardig materiaal of naar hoogwaardiger input hebben te maken met een beter functionerende markt. Zij kunnen immers direct bijdragen aan de productverbetering van bedrijven. En voor bedrijven tellen grenzen veel minder dan voor overheden. Roseboom heeft echter geen aanwijzingen dat multinationals steeds meer onderzoek uitzetten in plaats van zelf doen. Als die trend er al is, is dat zover ik weet nog niet met cijfers aan te tonen. M.H

:De Universiteit Twente kreeg op 4 januari een voorproefje van de 2000-problematiek. Enkele honderden medewerkers konden met hun elektronische pas geen koffie meer tappen of broodjes betalen, omdat de chipkaart zichzelf buiten werking had gesteld op 31 december 1998. De universiteit had nieuwe medewerkers in 1998 een verouderde studentenchipkaart gegeven en was vergeten die pasjes te vervangen door een meerjarenchipkaart. Voorlopig zijn die pasjes er nog niet. Bij Werktuigbouwkunde, waar zo'n tweehonderd medewerkers problemen hebben, is een simpele tijdelijke oplossing gevonden: de klok in het elektronische betaalsysteem is een jaar teruggezet. UT Nieuws

De vraag naar biologische landbouwproducten in ontwikkelingslanden groeit sterk. Veel van die landen zetten momenteel markt-, handels- en certificeringssystemen op, op basis van richtlijnen van de International Federation of Organic Agricultural Movements (IFOAM). Om echt succesvol te worden, moeten de doorgaans kleine boeren in ontwikkelingslanden samenwerken in coöperaties en duurzame managementsystemen ontwikkelen om bijvoorbeeld de vraag in Europese landen naar Fair Trade-producten te vergroten. Leisa

De invloedrijke Nijmeegse ontwikkelingsdeskundige dr Paul Hoebinck is gepasseerd als nieuwe hoogleraar Ontwikkelingsstudies in Nijmegen. Hij eindigde als derde op de kandidatenlijst, achter een Amsterdamse milieugeograaf. Hoebinck ziet zich niet werken onder de milieugeograaf, die helemaal geen bekende is in de wereld van de ontwikkelingsorganisaties, en weet niet waar hij eind dit jaar zal werken. KU Nieuws

De wateroverlast van afgelopen jaar speelt Cebeco parten. De coöperatie haalt een veel slechter resultaat over 1998 dan was verwacht. Met name de aardappel- en bloembollenoogst viel afgelopen jaar erg tegen. Er lopen nog juridische procedures over het niet nakomen van de aardappelleveranties. Het is nog onduidelijk wie voor de kosten zal opdraaien: de akkerbouwers of Cebeco. Oogst

Het imago van de Amerikaanse zuivel staat onder druk, door toedoen van Robert Cohen en zijn Anti Dairy Coalition. Koeien die met het melkgiftverhogende BST behandeld zijn, hebben volgens Cohen een verhoogde hoeveelheid insulinegroeifactor 1, een hormoon dat ook bij de mens voorkomt en de groei van borstkanker zou bevorderen. Ook ziet hij een verband tussen melk en suikerziekte. Volgens de firma Monsanto gebruikt dertig procent van de Amerikaanse melkveehouders BST. Consumentengroepen en senatoren vragen inmiddels om nieuw onderzoek naar de effecten van BST. De zuivelsector heeft er een stevige mediacampagne tegenaan gegooid. Oogst

Shell Solar Energy in Helmond doet aan rurale elektrificatie in Bolivia. Met steun van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking, dat zestig procent van de kosten draagt, heeft Shell zonnepanelen geplaatst bij tweeduizend huishoudens in het district Santa Cruz. Eindelijk licht aan het eind van de dag, merkt de bevolking op. Shell wil in totaal tienduizend zonnesystemen aanleggen in het district. Shell besloot in 1997 gedurende vijf jaar een miljard gulden te investeren in schone energie. Shell Venster

Minister Apotheker sluit onteigening van varkensbedrijven niet uit om varkensvrije zones te creëren in Brabant. Dat stelt hij in een toelichting op de Reconstructiewet varkenshouderij. Eerst wil hij echter twee andere instrumenten hanteren: herverkaveling en bedrijfsbeëindiging, -verplaatsing of -omschakeling. Apotheker houdt vast aan de varkensvrije zones, ondanks kritiek daarop van de Raad van State. Hij stelt dat de zones de verspreiding van besmettelijke ziekten tegengaan, zodat het ruimen van varkens en een exportverbod minder drastisch uitpakken. Boerderij

Re:ageer