Wetenschap - 26 oktober 1995

Maastrichts model voorkomt daling van studentenaantallen

Maastrichts model voorkomt daling van studentenaantallen

Volgens onderwijskundige Wijnen van de Rijksuniversiteit Limburg moet de student een veel belangrijker rol spelen in het onderwijs. Nu bepalen belangen van vakgroepen en docenten veelal de onderwijsprogramma's. Vraaggericht onderwijs zal de motivatie van studenten verbeteren. En dat is nu net wat de Taakgroep PLUS, die de aantrekkelijkheid van de Landbouwuniversiteit heeft onderzocht, voor ogen heeft.


Is een vwo-scholier wel geinteresseerd in landbouw, natuur, milieu en voeding? Weet de geinteresseerde scholier dat je dat in Wageningen kan studeren? Of kiezen vwo'ers te weinig exacte vakken en snijden ze daarmee de weg naar de LUW al vroeg af? Met deze vragen heeft de Taakgroep PLUS, een groep van LUW-hoogleraren en -bestuurders, de afgelopen twee jaar geworsteld, onder leiding van visteelthoogleraar dr E.A. Huisman. Op 1 november presenteert de taakgroep haar eindrapport, De vijver(s) en de vissen. Daarin staat onder andere de conclusie dat er nog heel wat meer uit de vwo-vijver valt te vissen.

Maar misschien kan de LUW ook op een andere manier haar produkt aan de man brengen. Het rapport wordt gepresenteerd tijdens de werkconferentie Beeld en zelfbeeld, een spannende verhouding. Een van de sprekers daar is onderwijskundige prof. dr W.H.F.W. Wijnen van de Rijksuniversiteit Limburg. Hij zal ingaan op de vraag of een universiteit door het verbeteren van het onderwijs of het onderwijssysteem het studentenaantal op peil kan houden. Aan zijn universiteit bestaat de indruk dat het voornamelijk een verdienste is van het unieke Limburgse onderwijssysteem dat het studentenaantal de laatste jaren niet noemenswaardig is gezakt, terwijl de landelijke daling tientallen procenten bedroeg.

Wijnen hoeft op 1 november de leden van de taakgroep en de LUW-bestuurders niet uit te leggen hoe het Maastrichtse systeem werkt. De afgelopen jaren zijn complete generaties bestuurders naar Maastricht getogen om het te bekijken; ook zijn Wijnen en zijn collega's het al regelmatig komen uitleggen in Wageningen. Maastricht is een soort onderwijskundig Mekka geworden, zeker nu rendement en studieduur zo'n belangrijke politieke items zijn geworden.

Wijnen kent de LUW-problematiek. Ik ken weinig universiteiten die zo bewust bezig zijn met hun identiteit als de Landbouwuniversiteit. Andere universiteiten kiezen ook wel motto's om zich te promoten, de ondernemende Universiteit Twente bijvoorbeeld, maar ze doen dat minder bewust dan de LUW. Dat heeft misschien te maken met het feit dat de naam van de Landbouwuniversiteit de lading niet meer dekt en de universiteit tegen die achtergrond met deze problematiek bezig is. Een parallel zie je met de Erasmus Universiteit. Toen die nog Economische Hogeschool heette, ging het niet al te best omdat de naam de lading niet goed dekte. Pas met Erasmus ging het daar beter. Natuurlijk is de naam van de instelling niet allesbepalend, maar het speelt wel mee. Dat geldt ook voor de Landbouwuniversiteit."

Wijnen wil niet beweren dat het wel in orde komt met de studentenaantallen als de naam maar goed is. Studiekeuzes komen tot stand door een opeenstapeling van toevalligheden, betoogt hij. Naam, uitstraling, toevallige mediagebeurtenissen en tradities bepalen de keuze van een student. Er zijn geen aanwijzingen dat marketing van universiteiten enig direct effect heeft op studentenaantallen. Je moet erkennen dat studenten vaak 's ochtends nog niet weten welke studie ze 's avonds hebben ingevuld op hun inschrijvingsformulier. Dat is ook niet erg. Want wat gebeurt er als je afgestudeerd bent? Dan neem je ook maar een baan die toevallig vrij komt en daar ontwikkel je je verder. Je hele carriere is afhankelijk van toevalligheden, dus waarom je studiekeuze niet?"

Universiteiten moeten volgens Wijnen erkennen dat de keuzes vaak toevallig zijn en daar moeten ze ook in de studies rekening mee houden. Het moet er in de studie om gaan wat de student wil leren. Dat klinkt logisch, maar in de meeste gevallen staat een docent te vertellen wat hij kwijt wil. Dat moet omgekeerd."

Vakgroepen

Zo'n omkering geeft uiteraard nogal wat hierarchische veranderingen op een universiteit. Persoonlijk geloof ik niet in het aansturen van het onderwijs door vakgroepen. De wereld is ook niet verdeeld in vakgroepen. Studenten zijn veel te vaak het middel voor een vakgroep om haar doel, het voortbestaan of de groei van de groep, te bewerkstelligen. Ik zou willen zien dat juist de student het doel is; de vakgroep nog slechts het middel. Goed onderwijs begint bij de student, niet bij de vakgroep. En al helemaal niet bij instellingen of op een ministerie. Dat is ook mijn bezwaar tegen zo'n rapport dat Ritzen samen met de universiteiten, hogescholen en studenten heeft geschreven over kwaliteit en studeerbaarheid. Die hebben het over de kwaliteit en de studeerbaarheid. Daarmee roeren ze problemen aan die een student helemaal niet kent of ervaart. Een puur beleidsmatige invalshoek."

De klacht van docenten dat studenten niet gemotiveerd zijn, komt waarschijnlijk voort uit het feit dat die docenten helemaal niet weten wat studenten willen. Welke doelen ze zich hebben gesteld. Zo'n docent is alleen bezig met de overdracht van kennis en vaardigheden, zonder zich af te vragen waarym die studenten daar zitten."

Wijnen erkent dat het Maastrichtse vraaggerichte onderwijssysteem niet gemakkelijk in te voeren is aan universiteiten waar sinds mensenheugenis de autonomie van de vakgroep onaantastbaar is. De jonge Rijksuniversiteit Limburg had het voordeel dat ze vanuit een nul-situatie kon werken. Maar experimenten aan de medische faculteiten in Nijmegen en Groningen wijzen uit dat ook traditionele universiteiten omgebouwd kunnen worden. Dus hoe moeilijk het ook lijkt, het kan wel!"

Ik denk dat het studenten motiveert als ze voor een groot deel zelf bepalen hoe ze willen leren. Waarom zouden studenten allemaal hetzelfde leerboek moeten kennen? Reik ze een aantal mogelijkheden aan: boek 1 en 2, Internet en audiovisuele middelen, docent 1 en 2. Daar kunnen ze de benodigde kennis uithalen. Laat ze het verder zelf maar uitzoeken. Met dit uitgangspunt komt je vanzelf uit op flexibeler programma's, met gebruik van informatietechnologie en computeronderwijs. Dan bepaalt niet meer de docent op welk tijdstip en in welke zaal de les is. De student bepaalt zelf wanneer en wat hij studeert. Het motiveert studenten bovendien om met elkaar in discussie te gaan. Wat valt er nu tegen elkaar te zeggen als iedereen hetzelfde boek heeft gelezen?"

Wijnen zal tijdens de werkconferentie op 1 november proberen te analyseren in hoeverre onderwijsinhoudelijke veranderingen kunnen bijdragen aan een grotere instroom van studenten. En ook of die veranderingen wellicht de nieuwsgierigheid, het engagement en de uitdaging bij scholieren kunnen stimuleren.

Re:ageer