Organisatie - 10 januari 2008

Luitje, de vader van de plantenveredeling

Bij de recente uitreiking van de Broekemapenning, de hoogste Nederlandse onderscheiding voor plantenveredelaars, werd de naamgever weer eens abusievelijk tot ‘hoogleraar Plantenveredeling’ gebombardeerd. Een begrijpelijke fout, maar prof. Luitje Broekema (1850-1936) was toch echt de eerste Wageningse hoogleraar Veeteeltwetenschap. Een benoeming met de hakken over de sloot die hij wel vooral dankte aan zijn ‘koninklijke tarwerassen’.

Eind deze maand precies negentig jaar geleden werd in de raadszaal van de Rijksveeartsenijschool in Utrecht een bijzondere vergadering gehouden. Aan de vooravond van de oprichting van de Landbouwhogeschool (LH) in maart 1918 bespraken de curatoren van de Rijks Hoogere Land-, Tuin- en Boschbouwschool wie van de 36 leraren voldoende capaciteiten bezat om tot hoogleraar te worden benoemd. Vanwege het vertrouwelijke karakter werd dit agendapunt apart vastgelegd in geheime notulen die de toenmalige landbouwminister Posthuma later accordeerde. Voor achttien leraren was de bevordering een hamerstuk, maar over de benoeming van Broekema tot hoogleraar Veeteeltwetenschap waren de meningen verdeeld.
Pijnlijk, want Broekema had als directeur bijna dertig jaar leiding gegeven aan de diverse voorlopers van de Landbouwhogeschool en genoot in het land groot aanzien als kweker van de Wilhelmina- en Julianatarwe. Deze twee nieuwe tarwerassen, met hoge opbrengst, stevig stro en goede korrelkwaliteit, domineerden in de eerste helft van de vorige eeuw de Nederlandse graanteelt.
Hoewel de curatoren positief waren over zijn verdiensten voor de Nederlandse landbouw, constateerde zij ook dat Broekema zich ‘vrijwel geheel afzijdig had gehouden van de ontwikkeling van de veeteelt’ en ‘alles samengenomen niet veel heeft gepubliceerd’. Uiteindelijk vonden de aanwezigen zich in het compromis: Broekema hoogleraar laten worden, maar ‘met de wenk het ambt spoedig neer te leggen’.
Luitje Broekema is daarmee te beschouwen als de ‘laatste generalist’ in Wageningen. De Groninger boerenzoon studeerde in het Duitse Halle en verkreeg als een van de eersten de Nederlandse onderwijsakte Landbouwkunde. Vanaf de oprichting van de Rijkslandbouwschool in 1876 doceerde Broekema in Wageningen zowel plantenteelt, veeteelt als zuivelbereiding. Komisch genoeg werd hij in 1885 juist van de eerste leeropdracht ontheven toen hij op 34-jarige leeftijd tot directeur werd benoemd.
Het is een wonder dat Broekema ondanks de vele bestuurlijke beslommeringen en reorganisaties tijd heeft weten te vinden voor het tijdrovende veredelingswerk. Dat hij zich toelegde op de veredeling van granen had dan ook praktische redenen. De kleine veestapel op proefboerderij Duivendaal - op de plaats van het huidige Bestuurscentrum – maakte serieuze fokkerijproeven onmogelijk. De drie hectare bouwland waren, samen met de proeftuin van één hectare op het Spijk, wel voldoende voor verdelingsproeven met graan. Reeds voor de eeuwwisseling wist Broekema door zorgvuldig kweken twee nieuwe tarwerassen te verkrijgen, die hij Duivendaal- en Spijktarwe doopte.
De beroemde Wilhelminatarwe ontstond door tijdrovende kruisingen tussen Spijktarwe, Zeeuwse tarwe en Roode Dikkop. Koningin Wilhelmina, die in 1901 Wageningen bezocht, gaf op die dag ‘Hoogstderzelver’ toestemming het kruisingsproduct haar naam te geven. Julianatarwe – met nog iets betere korrelkwaliteit - werd vervolgens verkregen door Wilhelminatarwe te kruisen met gladkaf-Essex-tarwe.
De koninklijke gewassen bezorgden Broekema roem onder boeren, het ridderschap in de Orde van de Nederlandsche Leeuw, drie jaar hoogleraarschap en – bij zijn afscheid in 1921 - een eredoctoraat. Bovendien bleek zijn kwekersbloed erfelijk: zijn zoon Cornelis Broekema werd in 1923 de eerste hoogleraar Veredeling van landbouwgewassen. Veeteeltprof Luitje mag dus met recht ‘de vader van de Wageningse plantenveredeling’ genoemd worden.

Re:ageer