Wetenschap - 1 januari 1970

Lokale jagers maken diertellingen goedkoper

Normaal worden dieren in het tropische regenwoud geteld met behulp van waarnemingen, sporen en uitwerpselen. Interviews met lokale jagers blijken echter zeven keer goedkoper en net zo betrouwbaar. Christiaan van der Hoeven van de leerstoelgroep Resource ecology testte de methode in Kameroen.

Het is de eerste keer dat er van lokale ervaringskennis gebruik wordt gemaakt voor dierentellingen. Die kennis werd in het verleden altijd onbetrouwbaar gevonden. 'Jagers werken niet met het metrische stelsel, ze kunnen niet schatten hoeveel dieren er per vierkante kilometer in een gebied leven,’legt Van der Hoeven uit. ‘Maar ze hebben wel een goed beeld van de wildstand. In onze methode valideren we die kennis.'
Van der Hoeven vraagt aan de dorpschef en de dorpsbewoners wie de beste jager is, om die vervolgens via een semi-gestructureerd interview te laten schatten hoeveel olifanten, antilopen of apen er in een gebied leven. De onderzoeker vraagt de jager bijvoorbeeld of er in een gebied - dat hij samen met de jager aan de hand van bekende rivieren, kreekjes of heuvels op de kaart afbakent - honderd of één olifanten leven en komt zo tot bijvoorbeeld een aantal van bijvoorbeeld tussen de 25 en 30. Door die aantallen te vergelijken met andere diersoorten kan de onderzoeker controleren of de jager consistent is in zijn schattingen.
De methode van Van der Hoeven is goedkoper en sneller dan de transectmethode die meestal wordt gebruikt om dieren te tellen. Daarbij tellen onderzoekers de waarnemingen, sporen en uitwerpselen van dieren langs willekeurig uitgelegde transecten in het bos. Nadeel van deze methode is dat er altijd een - veelal westerse - wetenschapper bij de telling aanwezig moet zijn, omdat de statistiek nogal lastig is. Daarnaast moet het onderzoek gedurende een heel jaar worden gehouden om seizoensinvloeden op te vangen, wat deze methode duur maakt.
De interviewmethode van Van der Hoeven neemt slechts tien weken in beslag, en kost tienduizend euro in plaats van zeventigduizend. Bovendien levert het onderzoek altijd resultaat op. Bij de transectmethode komt het regelmatig voor dat er in de aangewezen sectoren helemaal geen diersporen te vinden zijn. Dat gebeurde Van der Hoeven ook in zijn vergelijkend onderzoek in Kameroen. Via de transectmethode kreeg hij geen betrouwbare tellingen.
Een bijkomend voordeel is dat ook lokale mensen deze methode kunnen toepassen. Dat gaat waarschijnlijk gebeuren in Congo. Het Bonobo Conservation Initiative aldaar kan met lokale krachten dieren gaan tellen, en dat komt goed uit, vertelt Van der Hoeven, omdat financiering van dit soort projecten vaak niet bedoeld is voor wetenschappelijk onderzoek maar voor de lokale initiatieven of organisaties. Met de methode van Van der Hoeven kan die financiering nu gebruikt worden voor het tellen van onder andere bonobo's.
Van der Hoeven publiceerde samen met dr Fred de Boer en prof. Herbert Prins zijn resultaten in het Journal for Nature Conservation. In het Campo-Ma'an-bos in Kameroen bestudeerden ze 33 diersoorten, van hoefdieren, apen en carnivoren tot olifanten. De uitkomsten voor buffels (0,2 per vierkante kilometer) en mandrils (3,2) waren hoger dan in bestaande studies, en die van de gorilla's (2,27) lager. Uit de studie blijkt dat onder andere de zwarte colobus, de olifant, de buffel, het luipaard en de zwartvoorhoofdduiker in het gebied onder de voor dierpopulaties kritische grens van vijfduizend dieren zitten. Het gebied is volgens de onderzoekers daarom net op tijd uitgeroepen tot nationaal park. / MW

Re:ageer