Wetenschap - 1 januari 1970

Lofzang op het boerenleven op het boerenerf

Lofzang op het boerenleven op het boerenerf


Boerderijen geven platteland smoel. ‘De boerderij is vaak representatief
voor de identiteit van een provincie’, schrijft de Stichting 2003 Jaar van
de Boerderij op haar website www.jaarvandeboerderij.nl. ‘Aan de boerderij
kan de kenner, zonder kaart of GPS, feilloos zien waar in Nederland hij
zich bevindt.’ De smoel van het platteland is steeds minder goed zichtbaar.
‘Van de circa 192.000 boerderijcomplexen die in 1938 geteld werden, zijn er
momenteel nog 91.100 over’, schrijft journalist Sietske van der Hoek in
zijn boek Boerenbouw. ‘Van die 91.100 historische boerderijgebouwen zijn er
nog zo'n 38.000 in agrarisch gebruik.’
Boerenbouw is een lekker klein en leesbaar boekje waarin Van der Hoek een
lofzang zingt op het traditionele agrarische leven op het boerenerf. Want
duidelijk is dat de boerderij - in ieder geval vroeger - meer was dan de
stenen woning en de stallen. De boerderij is deel van het boerenleven op
het boerenerf. En dat is te zien aan de indeling van het boerenerf en de
boerderij, maar ook aan de arbeidsverdeling. ‘Achter was de boer de baas,
voor was het domein van de boerin’, schrijft Van der Hoek. ‘En voor was
niet alleen het woongedeelte met daarbij eventueel de melk- en kaaskamer,
tot voor behoorde ook een deel van het erf. Het erf achter en ten dele aan
de zijkant van de boerderij functioneerde als verlengstuk van het bedrijf
van de boer. Daar lag de mestvaalt, daar stonden bijschuren voor varkens
en/of paarden, de hooiberg en de korenmijt.’
Nederland kent grofweg vier boerderijtypen. Langs de noordelijke kust van
Groningen tot Amsterdam is de Friese huisgroep te vinden, met
boerderijtypes als de Noord-Hollandse stolp, de Friese stjelp en de
Oldamster boerderij in Groningen. Die boerderijen zijn meestal langwerpige
gebouwen, met op de kop het woonhuis en daar achter grote stallen waarin
het vee twee aan twee tussen schotten staat. In het oosten en het midden
van het land vinden we de hallenhuisgroep, vierkante gehouwen met
laagaflopende daken, waaronder de grote deel en de wat kleinere stallen van
het gemengde bedrijf. Minder typisch zijn de Zeeuwse boerderij met zijn
grote vrijstaande, veelal zwartgeteerde schuur voor de graanopslag en de
Zuidelijk huisgroep met de Zuid-Limburgse hofboerderij in de vorm van een
carré, met het erf tussen de bebouwing in. Die laatste is bijna
buitenlands.
Boerenbouw vertelt eigenlijk oud nieuws: oude boerderijen waaien om,
branden af, verkrotten of worden gesloopt voor efficiëntere
boerenbehuizing. Van der Hoek blijft in zijn beschrijving een beetje steken
in het monumentale en het agrarische. Hoewel hij in zijn boek niet
expliciet oplossingen aandraagt voor de teloorgang van de monumentale
boerderij, zijn de voorbeelden van hoe het wel kan wel exemplarisch voor
deze redeneertrant.
De door Van der Hoek als 'hoofdige boer' omschreven Theo Spruit
bijvoorbeeld, die eigenzinnig en tegen de wet zijn mest bovengronds
uitrijdt in zijn weilanden in het Groene Hart, die 's zomers elke dag in
zijn eigen boerensloot zwemt, die boert met als motto: 'boeren is loeren,
goed om je heen kijken, en je boerenverstand gebruiken'. Of Gerrie en
Michel Fransen die van de varkens overstapten naar wijnbouw. Nauwelijks
aandacht geeft Van der Hoek aan de beheerders van de boerderijen die zijn
of worden omgevormd tot woonhuis, appartementengebouw, hotel, camping,
conferentieruimte of zelfs tot raadzaal en trouwzaal. Maar ook dat zijn de
monumenten van de toekomst. |
M.W.

Sietske van der Hoek, Boerenbouw - Monumenten van het agrarisch bedrijf,
Stichting Open Monumentendag, ISBN 9080618136, 14 euro, te bestellen bij
www.openmonumentendag.nl.

Re:ageer