Wetenschap - 1 januari 1970

Liever landschap dan architectuur

De presentatie van twee internationaal georiënteerde boeken over landschapsarchitectuur werd een debat over de inhoud van het vak. Onder aanvoering van prof. Yusuck Koh, hoogleraar Landschapsarchitectuur, ontstond een discussie over de vraag wat moet prevaleren, landschap of architectuur.

Op woensdag 10 mei organiseerde de gloednieuwe 'ontmoetingsplaats voor landschap, kennis en debat' Ahoi een discussie over twee nieuw verschenen boeken. Emeritushoogleraar Landschapsarchitectuur prof. Menno Vroom schreef met het 'Lexicon van de tuin- en landschapsarchitectuur' een soort vakwoordenboek voor de landschapsarchitectuur, in het Nederlands en het Engels. En met 'Fieldwork - Landscape Architecture Europe' is er een eerste jaarboek van de Europese landschapsarchitectuur. Dit verscheen in het Nederlands én in vier andere talen.
Koh pleitte tijdens de presentatie voor een 'landschappelijke benadering van de architectuur', tegenover de architecturale benadering van het landschap die de in Nederland sterk gewortelde traditie van het modernisme de voorhand heeft. Zo'n architecturale benadering is volgens Koh gericht op het controleren en het koloniseren van het landschap. Daardoor zien veel ontwerpen er beter uit dan ze zijn. 'Landschap gaat over de plek en de verbinding met die plek', aldus Koh. 'Ik zie ontwerp eerder als interventie dan als transformatie.'
'Kiezen we voor elegantie of betekenis?', vroeg Koh de meer dan vijftig aanwezigen, waaronder veel studenten. 'Architectuur is een middel en geen doel op zich. De relevantie van de landschapsarchitectuur ligt dan ook niet in de vorm van een ruimte, maar in de ervaring van die ruimte. Het zijn de mensen die de architectuur compleet maken.' Koh wil dat de landschapsarchitect een bemiddelaar is tussen het landschap en de mensen, niet iemand die het landschap transformeert tot design.
Martin Knuit van Okra Landschapsarchitecten, die met een project in het Europese jaarboek staat, sloot zich hierbij aan met een pleidooi om het landschap te zien als een systeem in tijd. Als voorbeeld noemde hij Plan Ooievaar uit 1987, dat model stond voor de natuurontwikkeling langs de grote rivieren. 'Daarbij ging het om de ontwikkeling van de natuur, maar ook die van de mensen.'
Volgens Knuit zijn nog lang niet alle landschapsarchitecten toe aan zo'n op landschap en mensen ingestoken aanpak van de landschapsarchitectuur. Het vak is in Noord-Europa een zelfstandige discipline, terwijl in het zuiden de architecten en de ecologen nog sterk overheersen. 'Die verschillen lossen langzamerhand op', aldus Knuit. 'En ik denk dat de twee boeken belangrijk zijn om de discipline te definiëren.'
De studenten van nu profiteren van de professionalisering die het vak in de laatste decennia doormaakt, stelde prof. Eric Luiten, hoogleraar Ontwerp en cultuurhistorie aan de TU Delft en Wagenings alumnus. Er is het Nederlandse vakblad Blauwe Kamer, een Engelstalig vakblad 'Scape’, en nu twee belangrijke boeken. ‘Toen ik studeerde rond 1985 was er nog niets qua vakliteratuur', vertelde Luiten. 'Nu is het tijd voor een leesboek met essentiële teksten uit de landschapsarchitectuur.' Voor een verdere professionalisering en een bredere discussie over het vak. / MW

Re:ageer