Student - 24 mei 2007

Libellenlarven zoeken

Remco Versluijs, derdejaars Bos- en natuurbeheer bij Van Hall Larenstein in Velp, loopt een dubbele stage bij Stichting Bargerveen. Zo heeft hij tijd voor een uitgebreid onderzoek naar waterbeestjes in hoogveenlandschappen.

758_nieuws.jpg
758_nieuws.jpg

Foto: .

‘Stichting Bargerveen is verbonden aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en doet onderzoek naar fauna in verschillende landschappen zoals duinen, heide en veen. Het hoogveen in Nederland heeft het in het verleden zwaar te verduren gehad. Het is afgegraven en ontwaterd. De overgebleven gebiedjes zijn kleine snippertjes. Bovendien is de vegetatie sterk veranderd door verdroging en verrijking. Hoogveen kent een zuur, nat en voedselarm milieu, waar planten en veenmossen in voorkomen. Door de verrijking zijn er veel voedingsstoffen in het water terecht gekomen, zodat de hoogveenmossen langzaam verdwijnen.
Sinds het begin van de jaren negentig proberen organisaties als Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten met maatregelen als het verhogen van het waterpeil de hoogveenvorming weer op gang te brengen. Ik onderzoek de invloed die de herstelmaatregelen hebben op de watermacrofauna, oftewel de waterbeestjes.
Mijn onderzoek vindt plaats in de Mariapeel en de Deurnse Peel in het zuiden van het land en het Bargerveen in Drenthe. Het referentiegebied ligt in Estland, waar nog veel natuurlijk hoogveen is. Ik vergelijk de soortensamenstelling van libellenlarven en water- en oppervlaktewantsen tussen Estland en de Nederlandse hoogveenrestanten. Beide groepen stellen heel verschillende eisen aan hun leefomgeving. Ik bekijk wat de bepalende factoren voor die beestjes zijn om ergens te kunnen leven. En wat voor een effect de toename van voedingsstoffen heeft. Ook kijk ik naar de vegetatie en de structuur van het veen, of er bijvoorbeeld open water is of dichtveenmos.
Eén van de uitkomsten van mijn onderzoek is dat libellenlarven en wantsen een voorkeur lijken te hebben voor open water met veenmos langs de randen. Dat is voor mij wel een verrassing, maar achteraf toch ook verklaarbaar.
Zelf heb ik drieënhalve week veldwerk verricht. Dat was leuk en intensief. Nu ben ik bezig met determineren: welke soorten wantsen en libellen komen waar voor? Over een maand ga ik als afsluiting nog drie weken naar Estland. Daar ga ik eerst een week fauna bemonsteren en vervolgens mee met een excursie van Stichting Bargerveen voor beheerders van Nederlandse natuurgebieden en mensen van de Nederlandse overheid.
Ik heb mijn twee stageperiodes samengevoegd, en daar ben ik blij om. In een periode van elf weken kun je net een karig onderzoekje doen. Als je echt iets wilt leren, heb je wel een half jaar nodig. Zelfs de 23 weken die ik nu heb, zijn vrij krap voor zo’n uitgebreid onderzoek.
Onderzoeken vind ik ontzettend leuk, dus deze stage bevalt perfect. Onderzoek doen is precies de richting die ik op wil gaan, het liefst vogelonderzoek. Het trekt me om het onbekende te ontdekken, systemen te ontrafelen en nieuwe relaties te ontdekken. Door goed onderzoek kun je geschikte maatregelen adviseren en kunnen gebieden goed beheerd worden. Ten gunste van de natuur.’

Re:ageer